Baanbrekende vrouw in de astronomie

Vera Rubin 1928 – 2016

Het heelal is een plek voor avontuurlijke wetenschappers, vond Vera Rubin. Zij was er een van. Zij ontdekte donkere materie.

Foto AP

Een icoon voor voorvechters van vrouwen in de wetenschap is zondag overleden, op 88-jarige leeftijd: de in vakkringen beroemde Amerikaanse astronoom Vera Rubin (geboren Cooper). Veel deeltjesfysici en astronomen hoopten dat zij ooit nog de Nobelprijs zou krijgen. Want Rubin leverde in de jaren 70 het eerste overtuigende bewijs voor het bestaan van ‘donkere materie’. Anders gezegd, voor het feit dat in het universum veel meer zwaartekrachtsinvloeden werkzaam zijn, dan te verklaren valt op grond van de zichtbare materie. Oftewel, zoals ze het zelf verwoordde: ‘what you see, is not what you get’.

Astronomen, onder wie de Nederlandse Jacobus Kapteyn en Jan Oort, hadden dat lang geleden al eens geopperd. In 1933 had Fritz Zwicky bovendien ontdekt dat sterrenstelsels in het Comacluster (een grote groep van sterrenstelsels) „onmogelijk” snel bewogen. Dat wil zeggen: zo snel dat ze weg zouden schieten als er niet – onzichtbaar – veel meer materie in het cluster aanwezig zou zijn om ze toch bij de groep te houden.

Buitengebieden van spiraalstelsels

Het was de kracht van Rubin dat ze zich Zwicky’s alweer bijna vergeten observatie herinnerde, toen ze op een vergelijkbaar fenomeen stuitte tijdens haar metingen bij de Carnegie Institution in Washington, in samenwerking met Kent Ford. Ook sterren in de buitengebieden van spiraalstelsels draaiden veel sneller rond het centrum van hun eigen sterrenstelsel dan werd verwacht op grond van de waarneembare materie als de gassen en de andere sterren. ‘Iets’ moest dus voorkomen dat ze de lege ruimte in schieten. En dat ‘iets’ was bovendien rijkelijk aanwezig: spiraalstelsels bestonden voor 90 procent uit deze onzichtbare ‘donkere materie’.

Rubin’s conclusies, gebaseerd op haar spijkerharde metingen, werden niet meteen overgenomen. Geen enkele stap was vanzelfsprekend in haar astronomische carrière. Als dochter van een uit Litouwen geëmigreerde ingenieur en een moeder die haar baan bij Bell Labs na haar huwelijk opgaf, groeide ze op in de arme jaren 30. Boeken moesten in de bibliotheek worden geleend. Haar eerste telescoop bouwde ze als 14-jarig meisje zelf, met een per postorder bestelde lens en karton.

Schilderen

De weerstand die ze daarna ondervond, toen ze natuur- en sterrenkunde wilde studeren, werd in haar familie geregeld samengevat met: „heeft u ooit overwogen om astronomische objecten te schilderen?” Dat advies kreeg Rubin toen ze zich bij Swarthmore College wilde aanmelden voor de bètarichting. Rubin toog in plaats daarvan met een beurs naar het prestigieuze Vassar-college in Poughkeepsie, New York, waar toen enkel vrouwen studeerden. Ze promoveerde uiteindelijk in 1954 aan Georgetown University. In die tijd sloot bijvoorbeeld Princeton University vrouwen nog uit van astronomie.

Aan Georgetown University legde Rubin daarna het fundament voor haar carrière, terwijl ze met haar man Bob Rubin vier kinderen opvoedde die allemaal bèta-wetenschapper werden. Op het ‘recht’ om als vrouw telescopen te gebruiken voor observaties, moest ze nog wachten – tot 1965. In datzelfde jaar verruilde ze Georgetown voor de Carnegie Institution, waar ze haar baanbrekende metingen deed.

Een nieuwe wereld

Dat Rubin daarvoor niet alle prijzen kreeg die haar volgens velen toekwamen, leek haarzelf weinig te deren. „Mijn getallen betekenen meer voor me dan mijn naam. Als astronomen in latere jaren nog steeds mijn data gebruiken, is dat mijn grootste compliment’, zei ze. En dat de ontdekking van donkere materie het heelal alleen maar raadselachtiger had gemaakt, vond ze mooi. „Niemand heeft ons beloofd dat we in een tijd leven waarin we de kosmos zouden doorgronden”, schreef ze in haar boek Bright Galaxies, Dark Matters. „We hebben in een nieuwe wereld rondgekeken en gezien dat die mysterieuzer en ingewikkelder is dan we ons hadden voorgesteld. Nog veel meer mysteries liggen in het heelal verborgen. Zij wachten op avontuurlijke wetenschappers.”

    • Margriet van der Heijden