Sla ze dood, hang ze op, jaag ze weg

Non-fictie

In het Amerikaanse stadje Forsythe vond in 1912 een etnische zuivering plaats. Journalist Patrick Phillips reconstrueert de gruwelen in een gedetailleerd boek.

In de herfst van 1915 organiseerde de Kamer van Koophandel van Georgia een ‘sightseeing tour’ per automobiel door de staat, bedoeld om rijke ondernemers uit het noorden te laten kennismaken met de investeringsmogelijkheden op het arme platteland van die staat. Charlie Harris, de ambitieuze burgemeester van het stadje Cumming in het district Forsyth, rook zijn kans. Het eerbiedwaardige gezelschap wilde eerst omkeren in het nabijgelegen Gainesville, maar op het laatste moment wist een boodschapper van Harris ze toch te bewegen de omweg naar Cumming te maken.

En zo tufte de sliert T-Fords de districtsgrens van Forsyth over. Aangekomen in Cumming wachtte een woedende, agressieve menigte de auto’s op, die meteen een chauffeur vastgreep en aanstalten maakte de man te lynchen. Aan het eind van de middag raceten de auto’s het district weer uit, soms met een blanke aan het stuur en de chauffeur onder dekens op de achterbank verborgen.

De reden? De chauffeurs van het eerbiedwaardige gezelschap zakenlieden waren zwart. En het in alle verdere opzichten onopmerkelijke Forsyth was sinds 1912 en tot eind vorige eeuw een rabiaat witte Amerikaanse enclave, waar Afro-Amerikanen hun leven niet zeker waren.

Nu is het een welvarende, rustige voorstad van Atlanta. Maar in 1912 was Forsyth het toneel van een onvervalste etnische zuivering, waar Patrick Phillips (1970) in maar al te beeldende taal verslag van doet in Blood at the Root. A Racial Cleansing in America. De titel verwijst naar Billie Holidays lied over de bomen in het zuiden waar zulk ‘strange fruit’ aan hangt; ‘blood on the leaves, and blood at the root’. Aan lynchpartijen dan ook geen gebrek in dit boek.

Het begint in september 1912 met twee aanvallen op witte meisjes. Eerst wordt een zwarte man aangetroffen in het bed van Ellen Grice. Of zij hem daar had genodigd wordt nooit duidelijk, het feit dat hij daar was zorgt al voor een gewapende opstand die alleen met inzet van soldaten uit het nabijgelegen Atlanta de kop ingedrukt kan worden. Pal daarna wordt de achttienjarige Mae Crow bloedend gevonden in de bossen; ze is verkracht en haar keel is doorgesneden.

Drie jonge daders worden gepakt. De bewijsvoering doet nauwelijks ter zake. Een jonge man wordt gelyncht, twee tieners worden tot de strop veroordeelden en opgehangen. En binnen een maand worden de iets meer dan duizend zwarte inwoners van het district verjaagd door nachtelijke knokploegen: ‘Van alle methodes werkten fakkels en kerosine het beste, omdat een vuur een onmiskenbaar teken was voor de hele omgeving – en omdat de slachtoffers geen plek meer hadden om ooit nog naar terug te keren,’ schrijft Phillips. Bijna een eeuw blijft Forsyth blank, en nog in de jaren vijftig wordt een zwart stel dat er onwetend voet zet, bedreigd en beschoten.

Nog steeds zichtbaar

Phillips schreef een levendig en gedetailleerd boek – het type sterk verhalende non-fictie dat hier door Frank Westerman en Jan Brokken wordt bedreven. Die levendigheid is belangrijk, want zo wekt hij een Amerika tot leven dat geen Amerikaan zich graag wil herinneren, maar waarvan de contouren een eeuw later nog steeds heel duidelijk zichtbaar zijn.

De rednecks uit het Forsyth van 1912 stamden af van pioniers die een eeuw eerder Cherokee-indianen van dit land hadden verjaagd. De vaders en grootvaders van de mannen die hun oogst op het veld lieten wachten om een van de aanvallers van Mae Crow te lynchen, hadden vóór het afschaffen van de slavernij in Georgia in 1865 nog lukraak kunnen beschikken over de levens van zwarten. De mannen van Forsyth zagen, kortom, het als hun recht om het recht in eigen hand te nemen.

Daarbij vonden ze steeds vaker rijke blanken tegenover zich: plantagehouders en industriëlen. De bezittende klasse kon niet buiten de goedkope zwarte arbeidskrachten. Zo voelden arme blanken zich ook in de moderne wereld van 1912 van twee kanten slachtoffer: door de rijke elite én door de concurrenten met een andere huidskleur.

Sommige details kent Phillips, die zelf wit is, en wiens progressieve ouders in de jaren zeventig naar Cumming verhuisden, omdat hij er zelf bij was. Zo liep hij mee in de eerste mars van zwarte burgerrechtenactivisten door Cumming in 1987. Die mars haalt de nationale televisie als hij bijna verandert in een vlucht, door de confrontatie met een woedende menigte van met Confederatie-vlaggen zwaaiende, ‘White Power’ en ‘Nigger go Home’ scanderende menigte.

Als jongetje had Phillips in de schoolbus kennisgemaakt met het verhaal over Mae Crow en ‘het verjagen van de negers’. Iedere local kent het, de beerput broeit vlak onder de oppervlakte. Want nergens in Forsyth is nog iets van het geweld te vinden; de sporen van zwarte kerken zijn verdwenen en monumenten voor de gruwel uit het verleden zijn er al helemaal niet. Alleen blanke getuigenissen zijn gearchiveerd in Cumming, documenten over de zwarten vond Phillips alleen in Atlanta.

Twee van de drie gearresteerde vermoedelijke daders werden een maand later ‘berecht’ door een geheel blanke jury en veroordeeld tot de strop. Dat kwam doordat ze snel waren afgevoerd naar de gevangenis in Atlanta. De derde, de 26-jarige Rob Edwards, bracht het zover niet; hij werd in de plaatselijke gevangenis gestopt, door een menigte witte bloedhonden naar buiten gesleurd, half doodgeslagen, aan een strop door de straat getrokken en aan een telegraafpaal opgehangen. En nog was de bloeddorst niet gelest: mannen schieten hun geweren en pistolen leeg op het lichaam.

Sheriff

Hoewel iedereen precies weet wie erbij waren, wordt de dood van Edwards door het kantoor van de sheriff toegeschreven aan ‘onbekende daders’. De Gainesville Times schrijft dat Forsyth ‘opmerkelijke zelfbeheersing’ heeft getoond, na een week waarin twee witte meisjes waren aangevallen.

Waarom dit verhaal van lokale rassenhaat en raciale zuivering nu nog vertellen? Omdat het is verdwenen, schrijft Phillips. Drie procent van de 200.000 inwoners van het huidige Forsyth is in 2016 weer zwart, tien procent is Latino. Economische ontwikkeling heeft de scherpe kantjes van de rassenhaat gehaald, , zoals burgemeester Harris indertijd hoopte. Maar Phillips’ maakt duidelijk dat het verleden niet weggaat, ook al zie je het misschien niet meteen.