Mijn zus, mijn levende nachtmerrie

Familie Vorig jaar overleed de ‘vergeten’ zus van schrijfster Manon Uphoff. De razernij die in haar ontstak is sindsdien blijven branden als een fornuis.

Illustratie Nanne Meulendijks

Lezer, Ik dacht nooit veel na over boosheid en beschouw mezelf niet als iemand die gemakkelijk vervalt tot razernij (al word ik er op momenten door gegrepen, in fictie bijvoorbeeld). Echter, nu besef ik dat die van mij is ontstoken in november van het jaar 2015 en sindsdien is blijven branden als een fornuis. Woede en razernij, in deze verknoping. Ze heeft verschillende gezichten en ik kijk ernaar en vraag me af hoe hoogstpersoonlijk ze is, of hoe verbonden…

Op 13 november van het jaar 2015 viel Henne Vuur van de trap en stierf, enkele uren vóór een groep uitgaande jongeren in Parijs, Bataclan, voorgoed weerhouden werd van zulke onschuldige uitstapjes.

Henne Vuur was mijn zus. Mijn moeders eerstgeborene.

Ze lag onderaan de trap en weigerde de ambulance. Ondanks aandringen van arts en ambulance-medewerkers om zich te laten opnemen in het ziekenhuis, aangezien ze ernstig ondervoed was en uitgedroogd.

Ik had haar in geen jaren bezocht en wist niet eens wat haar adres was. In mijn leven was ze weinig meer dan een terugkerend moment van bespotting op onze jaarlijkse Familiedag van de Doden. (Moest je ze nou eens zien; die moeder en haar volwassen zoon in zijn hakke-hakke-puf-puf-invalidewagentje, was het niet net Psycho? Wat een bizar en ongelooflijk paar!)

Ik was niet van plan het ooit nog over haar te hebben. Maar nu lijkt ze me verbonden met de wortels van al mijn verhalen.

Henne Vuur was 69 jaar oud toen ze viel. Geen piepkuiken, en niet bepaald, om in de woorden van mijn vader te spreken (die toen al 14 jaar dood was), ‘in de wieg gesmoord’. Sinds de eeuwwende leidde ze een schaduwbestaan in haar tweekamer-nieuwbouwhuisje met cementsluier. Een seniorenwoning aan de rand van Nieuwegein, ooit opgezet als droomplek. Een geweldloos, pijnloos suburbia, met gras zo groen als in Blue Velvet, waar onze moeder halverwege de jaren zeventig met ons haar toevlucht had gezocht.

Toen ik Henne zag na haar onfortuinlijke buiteling leek ze op een vogel, haar neus benig omhoog, haar handen als klauwtjes. Ze droeg een groene jurk.

Mijn zus, ik haast mezelf dit te zeggen, vertegenwoordigde geen economische waarde en droeg al jaren niet meer bij aan het staatshuishouden. Haar erfenis bestond uit een bankrekening met een paar honderd euro, wat (dans)kleren, porseleinen beeldjes, een handvol meubels, en een asbak met peuken van Pall Mall en Belinda. Het huis was in één ochtend leeg. Zelfs de ruimte die ze fysiek innam was tot een minimum teruggebracht.

In mijn jeugd was Henne Vuur (zestien jaar mijn senior) een vanzelfsprekende aanwezigheid. Een stralend symbool van vrouwelijkheid. Een ekster, dol op glitter, met getoupeerd haar, versierd met sjaaltjes. Samen met haar zus Toddie (één jaar haar junior) en onze moeder vormde ze een bastion van vrouwelijkheid. The Holy Trinity of Smoke.

Kwamen wij, de jongste kinderen, uit school dan zagen we hen in hun paleis van nicotine, terwijl het in de achterkamer krioelde van hun kinderen, onze vrijwel even oude neefjes en nichtjes. Op schooldagen op het Schimmelplein in Utrecht bleven mijn broertje en ik ‘over’ bij Henne. Ze maakte lammetjespap voor ons. ‘Wil je een appel, poef-daar-gaat-ie’.

’s Zomers smeerde ze ons brood in haar bikini. Daarna strekte ze zich uit in een oranje canvas klapstoel die net paste op het plaatsje dat naar schimmel en mos rook en was het alsof ze uit Italië, Napels, naar dit klamme land was verbannen.

Ze was mijn moeders oudste kind.

Ik weet vrijwel zeker dat Henne in haar jeugd nooit werd gezien als veel meer dan er-goed-uitziend, knap, aantrekkelijk, net als Toddiewoddie, in een tijdperk en een gezin met een oog daarvoor. In zekere zin werden ze door mijn op straat gegooide moeder in haar (nieuwe) huwelijk ingebracht als twee stukjes fruit.

Toen mijn ouders in 1950 met elkaar trouwden was Henne vijf, Toddiewoddie vier. Mijn vader, Henri Elias Henrikus Holbein (HEHH), een drop-out, gesjeesd seminarist, gelovige en (ex)gevangene werd hun stiefvader – jaren voor hij ons, de jongsten en nakomertjes, zou verwekken en zich via avondstudie zou opwerken tot een wiskundige, wetenschapper, statisticus en amateur beeldend kunstenaar. Een gerespecteerd burger en pater familias met een uitstekende baan. Hij was tevens een getroebleerde, diep beschadigde man (ik kan en durf dat nu te zeggen) met driftaanvallen, die een ongepaste uitweg zocht voor al zijn emoties en verlangens, pijn en krenking bij zijn (stief)dochters.

Mijn vader groeide op in de crisisjaren, tijdens de grote depressie na de Eerste Wereldoorlog, in een familie die niet onwelwillend stond tegenover fascistische sympathieën en ideologieën. Hoewel er nooit een duidelijke keuze werd gemaakt moet een imprint welke levens er toe doen zijn achtergebleven in mijn vaders denken. Hij was erg specifiek over vrouwen. Zij vertegenwoordigden lichamen, schoonheid, en de veiligheid die hij zocht. HEHH miste een warme moeder, en was toegewijd aan Maria op een manier die ons tot wanhoop dreef. Zijn ogen glommen van sentiment als hij sprak over het mirakel: hoe ze geboorte had gegeven aan Jezus en maagd was gebleven.

Wij, de kinderen in het huishouden, waren van hem. Hij kleedde ons, voedde ons, verdiende zijn geld voor ons, negeerde ons. Toen hij een hoge leeftijd had bereikt werd hij door Henne teder verzorgd. Alles in overweging nemend stierf HEHH tamelijk vredig. Helemaal niet zoals Henne Vuur. Op het moment van zijn dood was mijn zus even oud als ik nu. Gescheiden, maar haar zoon nog geen invalide. Mager, maar nog niet griezelig uitgemergeld. Een mooie vrouw, die haar haar verfde in het zwartste zwart. Bij gelegenheden was ze haar stem kwijt. Er waren weken dat ze amper geluid voortbracht, maar niemand miste haar stem, al waren we ook beroofd van haar lach, die ik me nu wel herinner. Voorovergebogen, haar handen op haar knieën, bracht ze een diep geluid voort, als de brul van een jonge wolf. Hoe dan ook, ze zorgde goed voor HEHH in zijn laatste jaren en was daar trots op. Ik neem aan dat ze hem waardigheid gunde, het is lang geleden.

Henne zou het niet op prijs stellen dat ik dit schrijf. ‘Ik ben voor niemand bang’, zei ze en sloot zichzelf op in haar woning. En (trots): ‘Ik heb altijd alles helemaal alleen gedaan.’

Henne Vuur gaf me mijn eerste beha. Ik was 12 en stond onder de hanglamp in mijn fonkelnieuwe slaapkamer. Henne had mijn moeder geholpen met de keuze voor behang en vloerbedekking; vrolijke jaren-70kleuren, oranje en paars (we zouden een nieuw leven beginnen) en overhandigde me het nachtblauwe wonder waarvoor ik geen borsten had. Ze kwam met haar man zo snel mogelijk onze kant op.

Na haar scheiding, hij hield er een vriendin op na, kelderde haar inkomen. Ze had geen opleiding, niemand had dit ooit nodig gevonden, verhuisde naar een woning voor zichzelf alleen, waar ze later zorgde voor haar invalide zoon. Hij was niet geboren als een invalide, hij werd dit pas in haar huis. Hij was er als volwassene depressief naar teruggekeerd met behoefte aan moederlijke zorg. Zonder baan en zonder een prettig karakter, hoewel de hersenpropbloeding hier verandering in bracht. Hij kreeg trombose omdat hij maandenlang onbeweeglijk in bed lag. Een peertje op sap noemden we hem daarna, helemaal geleiïg en zoetzacht. Ze duwde hem de trap op, tree voor tree elke avond. Als een kind.

Hij werd ronder en vleziger terwijl Henne dunner werd. En dun was ze altijd geweest.

Het soort dun waar Trump van houdt. Je weet wel, niet te veel vlees aan een vrouw, behalve een paar gelei-tieten, nooit te veel ruimte, te veel luidruchtigheid.

Woede, soms voel ik dat die nooit zal doven, dat het een voorgoed brandende toorts is. Een paar jaar geleden werd ze gekort omdat ze de weelde van haar huishouden immers kon delen met deze invalide zoon, die zich op geen enkele wijze geroepen voelde ook maar één euro in te zetten. Hij dineerde buiten. Bij Van der Valk.

Daar roddelden we over toen we ervan hoorden.

Henne Vuur zei niets. Ze kon formidabel zwijgen.

Ze zweeg over HEHH die ook haar toen ze nog een meisje was in zijn gedaante van Minotaurus moest hebben bezocht. Over haar biologische vader die eens aan Toddie had gevraagd of hij haar slipje mocht zien.

Ze rookte gewoon als een schoorsteen en minderde met eten.

Ze lachte, danste na haar scheiding nog een aantal jaren, hield van glitter en volhardde in haar zwijgen met een heimelijk trekje om haar mond.

Ze was oud, ik vond haar oud. Ze was arm, alleenstaand, had geen baan.

Ze was mijn levende, ademende nachtmerrie.

‘Alsjeblieft, Lieve heer, laat me nooit worden als Henne.’

Ze kon lachen als een hyena. Maar ze was geen heks, zoals de kinderen in de buurt naar haar riepen.

Ze was op zichzelf, gesloten.

Is dat niet keurig? Wie houdt er van een hysterica? Van een nasty woman?

Op de avond van haar dood werden 89 jongeren neergemaaid in Parijs Bataclan, en durfde ik de horror van haar bescheiden dood niet in te laten dalen.

Ik sta aan haar zigeunerinnengraf dat klein en smal is en o, Founding Fathers, mijn woede is zo groot dat ze de wereld zou kunnen verwarmen.

Grab ‘m by the pussy.’

Gooi ze uit hun banen.

Laat ze zorgen voor hun ondergepiste ouders, hun kinderen.

Stop er een piemel in.

Ik voel mijn woede groeien, vormenrijk worden als een Jeroen Bosch-schilderij. Kalmeer. Wordt meesteres over je woorden. Kijk naar je woede, het oranje en goud, het koele blauw. Dan is ze op haar heetst, kan je het ijzer erin smelten.

Henne Vuur verstookte die van haar inwendig, als een stuk bruinkool.

De laatste keer dat ik op haar wilde lijken was in 1974, ik had net dat behaatje gekregen.

Daarna moet ik zijn gaan rennen.

Vanaf 2008 waren er de nodige onprettige en dramatische voorvallen in onze familie en vriendenkring, en had ik, een schrijver, het vonnis van Halbe Zijlstra moeten doorstaan.

Ik denk dat we ons pas in 2015 realiseerden dat wij, de jongsten, de wereld al evenmin veroverd hadden en dat we op een bepaalde manier waren samengesteld uit een veelvoud van onmogelijkheden. Mijn buitenlandse echtgenoot, de economische drop-outs van onze familie, de verstandelijk gehandicapte broer, de zieke die niet thuis durfde te blijven vanwege zijn baan en de prikkende oogjes van de zorgverzekeringsmaatschappij, ik met mijn mond vol implantaten die er bleken te zijn ingezet door een beun, en arme verlaten Toddiewoddie, zonder man maar met een paarse konijntjesvibrator, huilend om het verlies van haar zus.

Nou ja, wij allemaal; de misfits, buitenbeentjes.

En neem van mij aan, wij waren de gehoorzamen, volgzamen, loyalen. Ik heb mijn geld naar de bank gebracht en belegd toen het moest. Wantrouwend, bang, gemeen ook zijn we inmiddels.

‘Als je niet eet, weet je wat er gaat gebeuren,’ zei ik. Dit waren mijn laatste woorden aan mijn zus.

Ze lachte naar me; een raadselachtige glimlach en liet haar soep onaangetast. Haar voedselinname liep al een jaar terug. Zodat we ons zorgen maakten, maar op een haastige, geïrriteerde manier. Zie je, we hadden te kampen met onze eigen teleurstellingen. Ik vond het niet leuk om een parasiet te zijn.

‘Eet, godverdomme, als je niet eet ga je dood.’

We waren toen al gestopt tegen haar te zeggen dat ze een baan zou vinden, dat ze welvarender zou worden, een man zou ontmoeten, een tweede jeugd zou kunnen beleven.

En daarbij, we waren ook niet erg dol op de neef en op die hele situatie.

Henne Vuur wachtte op haar beloning tot ze 68 was. Ik denk dat ze zich toen realiseerde dat die niet zou komen. ‘Ten slotte moest de gruwelijke verandering in hun status wel tot hen doordringen. Aangezien dit voor hen neerkwam op een totaal verlies van hun zelfrespect, raakten ze als autonome personen gedesintegreerd’ (Bruno Bettelheim, in Het verlichte hart)

Ik sprak amper over mijn zus’ dood met anderen. Niet met mijn collega-schrijvers, niet met vrienden.

Schaamte.

Bovendien, wat kon Henne voor hen betekenen? Hel, Jezus, zelfs ik heb haar in geen jaren bezocht. Net als voor Scrooge is ze voor mij een Geest van een verleden waaraan ik geen behoefte heb. Een herinnering waar ik bij uit de buurt moet blijven. Zwart, opgebrand, een harpij.

Soms droom ik van haar. Ze zit bovenin een boom op een kale tak.

‘Kssst!’ Ik probeer haar te verjagen.

Natuurlijk is Henne Vuur niet haar echte naam. Isaac Bashevis Singer gaf die aan een van zijn formidabele in woede ontbrande personages en ik noem haar zo omdat dat was wat ze gedaan heeft, een vlam ontsteken. Op die dertiende november vonkte ze langs elke tree van die trap als een lucifer.

Sindsdien lijkt alles me verre van kalm. Het hele land in beweging, de mensen op hun hoede… Grieven laaien snel op, worden haastig en massaal gedeeld, sterven dan weer weg en laten niets achter behalve de snippers van een vuurwerk, en gevaar voor de enkeling die tussen de restjes rode snippers op zoek gaat naar wat nog niet is ontploft. Sommige gebeurtenissen veroorzaken een schok; een gemeenschappelijke moment van schrik of verdriet. Maar ook die schokken vervelen snel en werken uitputtend zodra de eerste opwinding voorbij is, je raakt eraan gewend, en bekijkt elkaar met geknepen western-oogjes, bij de ander een berekening en sluwheid verwachtend die je bij jezelf ontkent.

Blijft alleen onrust. Over het verkruimelen, vergaan van ooit vertrouwd en dierbaar weefsel, het scherpen van de tanden, de toename van geel in onze ogen, van speeksel, overvloedig druipend in onze mondhoeken.