Beertje

Nu u dit leest, is mijn nieuwjaar al begonnen. Om dat te begrijpen, moet u mijn familie begrijpen. Ik stam uit een geslacht dat dol is op practical jokes. Mijn vader bijvoorbeeld, een Pietje Bell from hell, kwam als jongen te weten dat zijn buurman een zwak hart had. Tegelijkertijd werd de plaatselijke begraafplaats geruimd. Die avond kroop hij op het dak van de buren en liet een vers gestolen mensenschedel (dat kon in 1947 nog) aan een touwtje voor het slaapkamerraam zakken. De kreet was tot in de verre polder te horen, en zorgde ervoor dat niemand het tegen mijn familie nog over zijn of haar cardiovasculaire toestand durfde te hebben. Met de jaren werden de grappen gewetensvoller en ludieker. Mijn oom werd uit het leger geschopt omdat hij tijdens een lang weekend op de kazerne bloemetjes schilderde op de kanonnen. Na een nacht doorzakken, omdat ze voor haar eindexamen was geslaagd, schrok mijn nicht om zes uur ’s ochtends wakker omdat de plaatselijke fanfare onder haar raam keihard ‘Lang zal ze leven’ speelde, terwijl mijn oom en tante bijna een liesbreuk van het lachen hadden.

Op een zeker moment ging iemand natuurlijk te ver.

Ook de nieuwe generaties draaien hun hand niet om voor een flauwe grap. Jaren geleden had mijn zus mijn wat dommige ex wijsgemaakt dat onze moeder allergisch was voor de kleur rood (mijn zus noemde dat ‘chromato-intolerant’). Daarvan kreeg ze uitslag op haar hoornvlies. De dommige ex geloofde het en kocht speciaal voor de kennismaking met mijn ouders nieuwe, roodloze kleren.

Streek volgde op streek, van knoflookpoeder in capuchons tot fake-telefoontjes van de Belastingdienst aan het zzp’ende deel van de familie.

Op een zeker moment ging iemand natuurlijk te ver. Mijn grootmoeder had vroeger een witte yorkshireterriër, genaamd Beertje. Met Kerst lokte mijn jongste neef het beestje de garage in waar hij het diepblauw verfde. Beertje had in een ongezien moment wat van die verf opgelikt en begon meteen alles onder te kotsen. Kerstavond brachten we door bij de dierenarts, met een doodziek blauw hondje en een woedende grootmoeder. Beertje redde het gelukkig, maar bij de kerstdis waarschuwden mijn boze grootouders dat het uit moest zijn met al die grappen. We zouden 1. elkaars dieren met rust laten en 2. voortaan van Kerstavond tot en met Tweede Kerstdag elkaar niet beetnemen.

Sindsdien hebben we rustige, om niet te zeggen doodsaaie kerstdagen. En niemand die op Derde Kerstdag veilig is, want na tweeënhalve dag geen streek te hebben uitgehaald staan we natuurlijk op knappen. U heeft geen idee wat ik op het moment dat u dit leest al aan het uitspoken ben, maar het heeft iets met mijn moeders reservegebit en de fruitmand te maken. 2017 is geen dag te vroeg begonnen.

heeft een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.