Tunesië al langer broedplaats jihadisten

Terrorisme uit tunesië

De aanslagen in Nice en Berlijn werden gepleegd door Tunesiërs. Waarom laten zij zich in met terrorisme?

Foto Facebook

Anis Amri, de man die naar alle waarschijnlijkheid achter de aanslag op de kerstmarkt in Berlijn zat en die in Milaan werd doodgeschoten, was bepaald niet de eerste Tunesiër die zich met terrorisme inliet. Ook de aanslag in het Franse Nice van 14 juli – net als in Berlijn uitgevoerd met een vrachtwagen – was het werk van een Tunesiër, Mohamed Lahouaiej Bouhlel.

In eigen land voerden Tunesische islamitische radicalen eveneens bloedige aanslagen uit. In de zomer van 2015 sloeg Seifeddine Rezgui toe op het strand van de badplaats Sousse. Hij schoot 38 mensen dood, grotendeels buitenlandse toeristen. Dat voorjaar hadden gewapende mannen al 23 mensen doodgeschoten in het vermaarde Bardo-museum in de hoofdstad Tunis.

„Steeds wanneer er ergens in de wereld een terroristische aanslag wordt gepleegd, houden de Tunesiërs hun adem in (…) want maar al te vaak is ‘een vervloekte zoon’ verantwoordelijk”, noteerde de Tunesische journaliste Hella Lahbib in een commentaar op de website van het Franse radiostation AFN360.

Feit is dat Tunesië, het land waar de zogeheten Arabische Lente in 2011 begon, al langer geldt als een broedplaats van jihadisten. Eind vorig jaar schatte de Soufan Group, een in New York gevestigd bureau dat extremisme wereldwijd in kaart brengt, dat er 6.000 tot 7.000 Tunesiërs naar Syrië en Irak zijn getrokken om zich bij radicale groepen aan te sluiten. De Tunesische regering gaat uit van een lager aantal: 3.000. Nog altijd veel voor een klein land als Tunesië, met zijn 11 miljoen inwoners. Voor het veel grotere Saoedi-Arabië (25 miljoen inwoners) bedraagt dat cijfer 2.500.

Nogal wat van die Tunesische ‘vervloekte zonen’, zoals ze soms worden genoemd, zijn afkomstig uit de omgeving van Kairouan, een oude stad in het binnenland met een van de oudste moskeeën van Noord-Afrika. De stad geldt als een centrum voor salafisten maar heeft economisch weinig te bieden.

Daarnaast is er ook in arme voorsteden van de hoofdstad Tunis, zoals Douar Hicher, een rijk reservoir aan gefrustreerde jongemannen zonder veel maatschappelijke vooruitzichten. Een verslaggever van het weekblad The New Yorker stuitte er onlangs op één huizenblok, waarvan alleen al 13 voormalige inwoners waren gedood bij gevechten in Syrië en Irak.

Al kwam ook Anis Amri uit Oueslatia, een dorp in de buurt van Kairouan, zijn bekering week af van die van veel van zijn streekgenoten. Tot hij op zijn achttiende naar Italië vertrok, was van belangstelling voor religie nooit veel gebleken. Voor zover bekend raakte hij daarin pas geïnteresseerd, toen hij in een Italiaanse gevangenis was beland.

Religie is volgens analisten ook lang niet altijd de diepere reden voor jonge mannen om zich aan te sluiten bij Islamitische Staat en andere radicale groepen in het buitenland of in eigen land. De magere economische vooruitzichten zijn op zijn minst even belangrijk.

„Het probleem is dat de islam vaak meer dient als een werktuig om onvrede te uiten dan als doel”, constateerde de Canadese analist Alessandro Bruno vorig jaar in de publicatie Al-Monitor na de aanslag in Sousse.

Het relatief goed geschoolde Tunesië slaagde er als enig Noord-Afrikaans land in een tot nu toe tamelijk succesvolle democratische transformatie door te maken na het omverwerpen van de dictatuur.

Maar economisch blijft het land kwakkelen. Terroristische aanslagen hebben het toch al teruglopende toerisme – decennia lang een belangrijke bron van inkomsten – nog verder doen teruglopen. Dat voelt het hele land.

De Tunesische autoriteiten weten zich niet goed raad met het extremisme van eigen bodem, hoe schadelijk dat ook is voor hun land. Betere economische perspectieven zouden helpen maar verbeteringen daarin zijn op korte termijn niet te verwachten. Een nieuwe aanslag door ‘een vervloekte zoon’ – waar dan ook – lijkt voorlopig waarschijnlijker.