Salaris? 60 euro per maand

Noorse Broeders

Bedrijf van de Noorse broeders had werkwijze vergelijkbaar met die van „malafide uitzendbureaus”.

Foto iStock

„In 1982 wordt een droom geboren”. Drie hoefsmeden in het Finse stadje Lahti beginnen een bedrijf in ruitersportspullen. Het groeit uit tot Horze/Finn-Tack, met vestigingen over de hele wereld.

Het verhaal over de droom, op de website van Horze/Finn-Tack, vertelt niet dat het bedrijf deel uit maakt van het wereldwijde netwerk van de sektarische geloofsgemeenschap Noorse broeders.

Uit de 200.000 interne e-mails van de broeders die NRC bezit, bleek eerder dat kerkleiders zich verrijkten ten koste van de 40.000 volgelingen. Ook werden belastingen ontweken en lieten Noorse broeders kinderen in strijd met de Arbeidstijdenwet werken om geld te verdienen voor hun kerk.

Ook het door de hoefsmeden opgerichte Finn-Tack profiteert van de kinderen van de broeders. Ze worden voor een appel en een ei ingezet, blijkt uit de e-mails. Dat gebeurt onder meer in het Drentse Nieuw-Buinen, bij een ander broederbedrijf, Northern Logistics, dat daar een magazijn van Finn-Tack/Horze beheert.

Het werk in Drenthe wordt gedaan door wel vijftig jongeren. Ze zijn gemiddeld 19,5 jaar en lid van het zogenoemde „A-team”. Tussen de schappen vol ruitersportspullen worden ze aangespoord met muurslogans als „Focus + Commitment = Result”.

Malafide uitzendbureaus

De jongeren krijgen op papier het wettelijk verplichte minimumloon, maar in de praktijk slechts zakgeld van 60 euro per maand. Tot 2014 houdt magazijnmanager Anno Neinders, tevens een hoge kerkbestuurder, op hun loonstroken deels fictieve kosten in voor consumpties, sport en uitstapjes.

Uit het jaaroverzicht over 2012 blijkt dat de jongeren voor onder meer ‘catering’ 173.000 euro in rekening gebracht wordt, hoewel de echte kosten 90.000 euro zijn. ‘Conferentiebezoek’ kost de jongeren 64.000 euro; de werkelijke kosten zijn 10.000 euro. Zo ‘verdienen’ de broeders geld.

Neinders erkent in de interne e-mails dat er „een behoorlijke onbalans” is tussen de inhoudingen en de werkelijke kosten. Een vergelijking met „malafide uitzendbureaus voor Poolse medewerkers” is snel gemaakt, schrijft hij.

Om zulke praktijken in brede zin aan banden te leggen wordt in 2016 de Wet aanpak schijnconstructies ingevoerd. Die verbiedt sindsdien soortgelijke inhoudingen op het minimumloon. Vooruitlopend op deze wet wijzigen de broeders hun tactiek. Sinds najaar 2014 krijgen de jongeren het hele minimumloon op hun bankrekening. Tegelijk worden ze geacht een stichting uit het netwerk van de broeders te machtigen om de gefingeerde kosten automatisch te laten incasseren. Het resultaat is hetzelfde, de jongeren krijgen 60 euro per maand.

Voor die 60 euro moeten ze hard werken in het Drentse magazijn. Ze hebben contracten van 48 uur per week, het wettelijk maximum. Dat is nog niet voldoende. Ze worden „net iets meer” ingepland, staat in een interne mail. Extra uren administreert Neinders als „vrijwilligerswerk”.

Finn-Tack vindt winter 2015 dat er nog best een tandje bij kan in het magazijn, in de drukke tijd voor Kerstmis. Neinders waarschuwt dat de jeugd al „een aantal weken 6 dagen per week, en de laatste twee weken zeven dagen per week” en ook nog in de avonden hebben gewerkt. „Ze zijn moe.” Zes jongeren hebben zich al ziek gemeld.

Bij Finn-Tack lijkt dat niet heel serieus te worden genomen: „Als er iemand is die om gezondheidsredenen moet uitrusten, dan moet men de vrijheid hebben om dat te zeggen en om niet te werken, maar ik kan me voorstellen dat er veel jongeren zijn die er alleen maar naar uitkijken om dag en nacht te werken.”