Recensie

Losers, eeuw in, eeuw uit

White trash zal nooit verdwijnen in de VS. De witte onderklasse is al eeuwen een onlosmakelijk deel van de Amerikaanse maatschappij. Daar kan president Trump niets aan veranderen.

Geen dag in de campagne van Donald Trump hadden ze gemist. Tot op het laatst stonden de bejaarde vrienden Robert en David buiten op campagnebijeenkomsten van Trump of zijn bondgenoten, waar ze Trump-petten, Trump-buttons en Trump-shirts verkochten. „We doen dit al 380 dagen, zonder pauze”, vertelde Robert me.

De Trump-fans Robert en David wonen in een camper, en reizen het land door op zoek naar werk. Trump gaf ze dat, al voordat hij gekozen was. Voor mij waren de vrienden een graadmeter van de stemming onder de Trump-aanhangers. Welk shirt scoort goed? En wat zegt dat? De laatste keer dat ik hem sprak, haalde Robert een groen shirt tevoorschijn. De tekst: ‘Proud member of the Basket of Deplorables’. Het is een verwijzing naar een opmerking die Hillary Clinton eens maakte. Ze zei dat zeker de helft van Trumps kiezers ‘betreurenswaardig’ is. Het zijn ‘racisten, seksisten, homofoben, xenofoben, islamofoben.’

In nabeschouwingen over de sensationele nederlaag van Clinton kreeg de ‘deplorables’-opmerking niet de aandacht die die verdiend had. Het was een beslissend moment, dat veel onthulde over zowel Trumps kiezers als Clintons kijk op Amerika. Clinton bedoelde te zeggen dat Trump de sympathie opwekte van racistische groepen, maar ze gaf zijn aanhang een geuzennaam cadeau. Die naam bevestigde voor veel aanhangers een oud gevoel van miskenning.

Donald Trump wist een redelijk homogene kiezersschare te mobiliseren, waarmee hij de brede coalitie van Hillary Clinton wist te verslaan. Uit gegevens van The New York Times bleek dat die aanhang goed te voorspellen is op basis van een paar variabelen: de Trump-kiezer is overwegend wit, lager opgeleid, noemt zich ‘Amerikaan’ als naar de afkomst van voorgeslacht wordt gevraagd. Hij – meestal een man – woont veel vaker dan gemiddeld in een trailer, en werkt meestal in de ‘oude economie’: op een boerderij, in de bouw, of in een fabriek.

Juist conservatieven hebben zich lang tegen de emancipatie van de onderklasse gekeerd

Vaak wordt deze groep gedefinieerd aan de hand van actuele kwesties. Het zijn de verliezers van de globalisering, mensen die de informatiemaatschappij niet aankunnen, de eersten die hun baan verloren in de economische crisis van 2008. Allemaal waar, misschien. Toch missen die analyses een cruciaal punt, zo valt te concluderen na het lezen van het lijvige White Trash van hoogleraar Geschiedenis Nancy Isenberg. Het gaat er niet om dat de white working class de moderne tijd niet aankan, betoogt ze. Het gaat erom dat ze altíjd aan de verliezende kant staan. Eeuw in, eeuw uit.

White Trash is een rijk gedocumenteerd boek, vol schokkende citaten van politici en intellectuelen over de onderklasse. Het is nog het best te lezen als een kritiek op het Amerikaanse exceptionalisme. Het idee dat dit een ander, eerzamer land is dan de rest van de wereld, zit nog altijd diep in de Amerikaanse ziel ingebakken. In de VS heb je je lot in eigen hand, en bepaal je zelf of je klimt of daalt op de maatschappelijke ladder. Amerika kent geen feodale traditie, zoals Europa. Er is een bloeiende middenklasse, die voor ieder bereikbaar is.

Rookgordijn

Isenberg noemt deze Amerikaanse Droom ‘een sterke balsem, een rookgordijn’. ‘We houden vast aan de troost van de middenklasse, terwijl we vergeten dat er geen middenklasse kan zijn zonder een onderklasse.’ En voor die onderklasse is het Amerikaanse idioom niet genadig. Ze heetten ‘waste people’, ‘rubbish’, Hillbillies, Rednecks, Low-downers, Scalawags. En nu heten ze ‘white trash’, of ‘trailer trash’. Isenberg: ‘Ze krijgen vaak een andere naam. Maar ze verdwijnen niet. Onze identiteit als natie, wat we onszelf ook wijsmaken, is onlosmakelijk verbonden met deze onteigende groep.’

Hierin verschilt Isenberg van de vele andere schrijvers, die de laatste jaren de Amerikaanse Droom ontmantelden. Velen van hen, neem Robert Putnam in Our Kids, zien de groeiende tweedeling en verdwijning van de middenklasse als een weeffout. Het is iets dat gerepareerd kan worden, als de politieke en sociale omstandigheden maar weer iets verbeteren. Isenberg verwerpt die visie. De tweedeling zit in het Amerikaanse denken, betoogt ze, omdat Amerika altijd een klassenmaatschappij is geweest. Er is geen terugkeer naar de goede oude tijd mogelijk, en met die vaststelling ontdoet ze het onderwerp van valse sentimenten.

Isenberg gaat terug naar de tijd van de Britse kolonisten, in de zeventiende eeuw. De eerste Europese inwoners van de Nieuwe Wereld waren in Britse ogen geen verheven pelgrims, op zoek naar een klasseloze maatschappij. In Europese ogen was Amerika een vuilnisbelt, waar de ‘waste people’ gedumpt konden worden. Criminelen, wezen, ‘nuttelozen’.

De Founding Fathers, die de fundamenten van het Amerika van nu creëerden, keken niet wezenlijk anders naar hun land. Thomas Jefferson, de derde president, vond dat er een ‘natuurlijke hiërarchie’ moest bestaan tussen de aristocratie en het volk. Amerika werd geen plaats voor opwaartse mobiliteit, maar voor ‘horizontale mobiliteit’, zoals Isenberg het noemt. De Amerikaanse onderklasse werd ingezet om het westen en Diepe Zuiden te bevolken, en te bewerken. Omdat Amerika tot diep in de negentiende eeuw vooral een agrarische samenleving was, was de tweedeling tussen rijk en arm eenvoudig in stand te houden. Wie arm geboren was, zou nooit land bezitten, en dus arm sterven.

Gesegregeerd

De klassenmaatschappij is tot vandaag in stand gebleven. Het land is raciaal en sociaal gesegregeerd, waardoor de beste voorzieningen onbereikbaar zijn voor een groot deel van de zwarte Amerikanen en de witte onderklasse. Maar omdat Amerikanen in het idee van maakbaarheid zijn blijven geloven, blijft hierover een groot stigma heersen. Als het systeem deugt, dan moet de onderklasse de lage maatschappelijke status aan zichzelf te danken hebben.

Het stigma is te merken aan ingeburgerde woorden als ‘white trash’, zoals de witte onderklasse vaak wordt genoemd. Amerikanen kijken er gefascineerd en een tikje angstig naar. Typerend is de reality tv-hit Here Comes Honey Boo Boo, over het schoonheidsprinsesje Alana. Het meisje leefde op cafeïne- en suikerdrankjes, en werd door haar zwaarlijvige moeder van de ene naar de andere schoonheidswedstrijd gesleept. In 2014 werd de serie afgelast, nadat gebleken was dat de nieuwe vriend van moeder June zich schuldig had gemaakt aan kindermishandeling. Sociaal leed als amusante freak show.

Naar Honey Boo Boo wordt niet wezenlijk anders gekeken dan naar foto’s van mismaakte zuiderlingen, een eeuw geleden. In die tijd heerste daar een epidemie van wormpjes in de darmen, vooral daar waar sanitaire voorzieningen ontbraken. Patiënten leden aan groeistoornissen, raakten misvormd. Welgestelde Amerikanen noemden dit ‘de luie mensen-ziekte’, en zagen het als bewijs van de achterlijkheid van de witte onderklasse.

Juist conservatieven hebben zich lang tegen de emancipatie van deze groep gekeerd. Paul Ryan, de machtigste Republikein na Trump, had het niet zo lang geleden nog over de ‘gevers’ en de ‘ontvangers’. Hij wilde er zijn voor de gevers. Toch is het uitgerekend een Republikeinse miljardair die de electorale kracht van de ‘white trash’ inzag. Maar als de analyse van Isenberg klopt, heeft ook hij zijn kiezers weinig te bieden. De ongelijkheid in Amerika laat zich niet repareren, en nostalgie naar een betere tijd is vals.