Lof van de christelijke liefde voor de ‘vijand’

Naastenliefde

De Duitse oriëntalist Navid Kermani bewondert christelijke kunst én de christelijke naastenliefde. Juist omdat die ook andersgelovigen geldt.

Hij wijst het kruis af (‘godslastering en afgoderij’). Het idee dat God geïncarneerd zou zijn in één mens acht hij principieel onjuist. De Katholieke Kerk, met haar heilige drievuldigheid, haar Maria-verering en al haar heiligen komt hem nauwelijks monotheïstisch voor en vaak heidens in haar gebruiken (het lichaam eten en het bloed drinken van een godmens!). Hij verafschuwt de verheerlijking van het lijden en de pijn in het christendom (‘barbaars en lichaamsvijandig’) en de strenge hiërarchische verhoudingen binnen de katholieke kerk bevallen hem evenmin. De Duitse schrijver en oriëntalist Navid Kermani, heeft bepaald kritiek op het christendom. Maar die kritiek komt niet voort uit een afkeer van geloof of christendom. Integendeel, in plaats van het lijden te verzelfstandigen, zouden we dankbaar moeten zijn voor de schepping „waarvan we zouden moeten genieten, uit erkenning jegens de schepper, zoals mijn grootvader placht te prediken als hij vanaf het terras van zijn landgoed uitkeek over de heerlijke Zayandeh Rud, de ‘leven schenkende rivier’.”

Kermani’s ouders vertrokken uit Iran en hijzelf werd in 1967 geboren in Siegen in West-Duitsland. Hij woont nu in Keulen. In zijn boek Goddelijke kunst (Ungläubiges Staunen in het Duits) kijkt hij naar christelijke kunstwerken en schrijft over wat hij ziet. Hij doet dat vanuit een grote kennis van het christendom, maar ook vanuit een doorvoelde ándere, want islamitische, overtuiging.

Hij noemt zich een ‘anders- of niet-gelovige’, die ondanks zijn bezwaren sterk aangetrokken wordt door het christendom, vanwege de schoonheid van de kunstwerken, de katholieke eredienst en vooral ook vanwege degenen die het gebod om hun naasten lief te hebben werkelijk in praktijk brengen. Zijn houding is daarmee tegelijk hedendaags, hij zoekt zijn eigen vorm van islam en zijn eigen vorm van christendom, én onhedendaags omdat hij zich welwillend maar niet soft openstelt voor eigen en andermans religieuze traditie.

Het lot van Maria

Hij opent zijn boek met een wel bijna tweeduizend jaar oude Maria-icoon. Te zien is een enigszins oosterse Maria: „Ze is nog jong en heeft toch al ervaren wat het betekent door God te zijn uitverkoren, (-) en (-) weet dat de pijn nog tot in het onmetelijke zal toenemen.” Het lot van Maria is verschrikkelijk, ze heeft een zoon gebaard die voor haar ogen doodgemarteld zal worden. Dat is „wat het betekent door God te zijn uitverkoren”. Maar op de schilderijen zie je dat meestal niet, ze heeft een smetteloos gezicht, schrijft Kermani, ‘gereinigd – van de ervaring’. Omdat het anders onverdraaglijk zou zijn voor de gelovigen. Iets of iemand moet toch troost bieden bij iets zo verschrikkelijks als die kruisdood, die meest afstotende, maar misschien ook – „dat moet ik toegeven” – meest waarachtige voorstelling.

Hij toont een zekere voorkeur voor de zestiende-eeuwse Italiaanse schilder Caravaggio met zijn plastische en vaak praktische schilderijen: we zien beulsknechten aan het werk die zich geheel en al aan hun taak wijden en een vernederend gebrek aan aandacht hebben voor de man van wie zij de doornenkrans met stokken goed aandraaien zodat de doornen in zijn vlees dringen, of voor de doodsbange Petrus die ondersteboven gekruisigd wordt en met ontzetting naar de spijker in zijn hand kijkt. De knechten maken een grapje als ze Jezus azijn te drinken geven „niet meer dan een grapje, waar ook de soldaten die nu in Syrië of Irak oproerkraaiers kruisigen wel om zouden kunnen lachen”, veronderstelt Kermani. Hij citeert psalm 69: „De smaad breekt mij het hart en krenkt mij.”

Ondanks zijn afkeer van het kruis staat, zo schrijft hij, op zijn werktafel een kruis. Het is uit 2005, van beeldhouwer Karl Schlamminger, en het overtuigt hem: „een rechthoekig blok dat zich omhoogwerkt in bochten en draaiingen zodat de vier armen worden tot wat goddelijk is: één.”

Gaandeweg blijkt dat Kermani houdt van een religieuze houding die uiteindelijk naar eenheid streeft. Geen uitverkorene, geen altaar, geen priester, geen mens geworden zoon. Meer zoals in een moskee waar nergens een middelpunt te vinden is maar de koepel zich overal, als het hemelgewelf, boven de gelovigen uitstrekt. Boven álle gelovigen: Kermani richt zich op vrede, toenadering, verzoening. Hem interesseert Franciscus van Assisi die vriendschappelijke relaties onderhield met sultan al-Malik al-Kamil en voor pater Paolo Dall’Oglio, die in Syrië een kloosterorde leidde waar ook moslims zich thuis voelden, maar die in 2013 door IS ontvoerd werd. Juist hij. In het hart van het boek is een omvangrijk hoofdstuk gewijd aan pater Paolo en zijn klooster waaruit de buitengemene bewondering spreekt die de schrijver voelt voor de specifiek christelijke liefde die niet alleen de naasten, maar ook andersgezinden omvat. Dat wordt volgens hem bedoeld met je vijanden liefhebben – „wat niet hetzelfde is als de liefde van het schaap voor zijn slachter”.

Verzoening met Islam

Zo wordt dit boek geleidelijk aan van een boek over christelijke kunst, tot een pleidooi voor christelijke liefde, voor verzoening tussen islam en christendom. Kermani citeert althans met instemming de woorden van pater Paolo, waar die spreekt van het „vernieuwen van de zegeningen die Abraham voor zijn zoon Ismail ontving” en Ismail is, zoals bekend, de stamvader van Mohammed en dus van de islam. Godsdienst is ook vernieuwing, zegt de pater. Datzelfde zegt Kermani als hij naar Caravaggio’s schilderij van Abraham kijkt die op het punt staat zijn zoon Isaäk te offeren uit domme gehoorzaamheid. Abraham is een „in intellectueel opzicht altijd al beperkte, en in de ouderdom pas echt verstokt geraakte rentmeester van God”. De engel moet zijn hand met kracht tegenhouden en Abrahams voorhoofd laat diepe denkrimpels zien: heeft hij het goed begrepen? Gaat het niet door? Hier, zegt Kermani, en hij staat daarin natuurlijk niet alleen, wordt getoond dat mensenoffers niet de bedoeling zijn: „Niet dat hij het zou hebben gedaan is de kern, maar dat hij het niet mocht.” Dat is bijna letterlijk Thomas Mann, die schreef dat ook de goddelijke geboden veranderen met de tijd; daar geen oog voor hebben, noemt hij ‘godsdomheid’.

Domweg vasthouden aan oude gebruiken is verkeerd. Uiteindelijk zijn liefde, zachtmoedigheid, verdraagzaamheid – ook ten aanzien van dingen die je niet meteen aanstaan – waar het om draait. Vanuit die houding is dit boek geschreven, een intelligente vorm van liefde. Een die we nodig zullen hebben.