Cultuur

Interview

Interview

Nidhi Chaphekar, slachtoffer van de aanslag op Zaventem, links in haar huis in Mumbai en rechts op een beroemd geworden foto die kort na de twee bomexplosies werd gemaakt.

Foto links Atul Loke / Panos Pictures / Hollandse Hoogte

‘Het was of mijn onderbewustzijn tegen me sprak. Je mag niet slapen. Dit was een bom’

Nidhi Chaphekar werd de beroemdste stewardess van India door een foto van de terreuraanslag op vliegveld Zaventem. Correspondent Joeri Boom zocht haar op in Mumbai.

‘U komt voor mevrouw Chaphekar?”, vraagt een van de beveiligers nog voor ik iets heb kunnen zeggen. Je vindt dit soort ongewapende particuliere bewakers bij veel appartementencomplexen in de grote Indiase steden. Een redelijke stad in India kent minstens een miljoen inwoners. Mumbai, India’s economische centrum, heeft er ruim 22 miljoen. Meestal doen ze een dutje als je aan de poort staat. Het tonen van interesse, zoals door het groepje bewakers hier in Mumbai, is uiterst zeldzaam. „Wat vindt u van haar?”, willen ze weten. Glunderende gezichten, handen op de rug, borst naar voren. Ik zeg dat ik haar slechts ken van de foto, dat ik haar nu voor het eerst ga ontmoeten. „Wij kennen haar wél”, zegt een van de mannen. „We zijn heel trots. We beschermen haar met ons leven.”

Sinds 22 maart is Nidhi Chaphekar India’s beroemdste air hostess. De roem heeft een rouwrand, want hij komt voort uit de terreuraanslagen in Brussel in het voorjaar, waarbij 32 mensen werden vermoord en ruim 300 verwond. Haar passie werd haar bijna noodlottig toen ze zich meldde voor haar werk: de Jet Air-vlucht van Brussel naar Newark in de VS. Op Zaventem, de luchthaven van Brussel, ontploften twee bommen. Een Georgische journaliste die de explosies overleefde nam foto’s met haar telefoon en zette die op twitter. Eén daarvan werd hét beeld van de aanslagen.

Overal stof en puin. Links op de voorgrond is een jonge vrouw aan het bellen met haar telefoon in een bebloede hand. Maar de aandacht gaat uit naar de gewonde stewardess in het centrum van de foto: Nidhi Chaphekar. Ze zit schrijlings op twee metalen stoeltjes die in de muur zijn bevestigd, linkerbeen over de leuning, het rechterbeen bungelend. Aan de voorkant van haar lichaam is haar uniform verdwenen. Haar beha is zichtbaar, en de naakte huid van haar buik. Ze zit onder het stof en kijkt voor zich uit. Ze is veel zwaarder gehavend dan de foto toont.

Ik besloot weg te rennen, draaide me om, en midden in die beweging explodeerde de tweede bom, vlakbij.

Ze doet zelf open, met een stralend gezicht. Er was plastische chirurgie nodig om verbrande huid te vervangen – het valt niet op. En ze loopt. Langzaam, en een beetje hinkend, maar zonder hulpmiddelen. Er staat masala chai voor me klaar. Indiase kruidenthee met melk. Nidhi (41) neemt naast haar man Rupesh plaats op de bank.

Hoe gaat het met u?

„Heel goed”, zegt ze. Ze tilt haar rechterbeen, dat op tafel rust, een stukje op en wijst. „Er staan nog operaties gepland. Maar mijn geest zegt me dat de stukken bot die de artsen aan elkaar willen zetten, uit zichzelf naar elkaar toe zullen groeien. Het komt allemaal neer op wat je gelooft. Ik vertel mezelf elke dag: ik kan lopen, ik zal straks alles weer kunnen. Ik heb zoveel operaties gehad, ik ben de tel kwijt.”

Operaties aan haar voeten en benen, het verplaatsen van huid van haar bil naar haar verbrande handen, het verwijderen van stukjes metaal uit haar hele lichaam en een van haar ogen (het explosief was een fragmentatiebom in een koffer), plastische chirurgie aan haar verbrande gezicht. Haar man somt de chirurgische ingrepen op en komt uit op dertien of veertien. Ze draagt lange, sierlijke handschoenen van zacht, rekbaar katoen om de helende huid op haar handen en armen te beschermen.

„Ik denk dat ik exact op de eerste verjaardag van de aanslagen weer zal vliegen.” Ze lacht hard maar ze maakt geen grap. Het is een vreugdelach.

Ze staat op van de bank en loopt langzaam maar kaarsrecht naar de keuken. Ze draagt strakke, donkerblauwe jeans en een getailleerd zwart shirt met een wijde hals. Voordat ze in de keuken verdwijnt, kijkt ze me aan en lacht opnieuw.

Haar echtgenoot Rupesh grinnikt als hij mijn verbazing ziet over zoveel vrolijkheid. „Nidhi is geen typisch slachtoffer. Je zou denken dat ze huilend in een hoekje zou zitten, maar dat is niet haar natuur. Ze is een ongekende vechter en iemand die altijd vrolijk is. Ze is door de aanslagen niet veranderd. Het enige verschil is – hij moet lachen – dat de wereld nu niet meer om haar heen kan.” Rupesh heeft zijn eigen bedrijf, waardoor hij veel bij haar kan zijn. „Ze brengt ons allemaal in een goed humeur.”

Ben ik dood? Dat mag niet, want de kinderen hebben schoolexamens.

De sfeer in huis is Indiaas gezellig. Zoals in veel gegoede Indiase huishoudens loopt er een jonge bediende rond. In veel middenklasse-gezinnen wordt zo’n meisje commanderend toegesproken. Niet in huize Chaphekar. De toon is vriendelijk. Vanuit een slaapkamer klinken Bollywood-liedjes. Daar ligt Rupesh’ moeder op bed naar muziek te luisteren die uit haar telefoon schalt. „Ik ben heel trots op mijn schoondochter”, vertelt ze. Het meisje van de bediening zit bij schoonmoeder op bed en neuriet mee.

Rupesh was thuis in Mumbai toen hij hoorde van de aanslagen. „Toen haar foto op twitter verscheen, wisten we dat ze leefde. Ik ben met hulp van Jet Airways meteen afgereisd. De autoriteiten van India en België zorgden voor visa. Ik ben een maand in België geweest, in een hotel vlakbij het ziekenhuis. Ik stortte vaak in als ik haar zo hulpeloos zag, aan al die medische apparaten. Ze is sterker dan ik, dacht ik meer dan eens.”

Nidhi komt terug met een nieuwe schaal koekjes en roept iets lacherigs naar het dienstmeisje in de slaapkamer.

Wat herinnert u zich van de explosies?

„Ik herinner me alles”, zegt ze, en begint te vertellen. Ruim een half uur lang beschrijft ze details, gevoelens, gedachten, beelden.

Ze was net met de roltrap aangekomen in de vertrekhal toen ze de eerste explosie hoorde. Eerst de flits, toen de klap, daarna het gehuil en geschreeuw.

„Aaaah, oeoeoeoeoeh. Mensen begonnen te rennen. Recht op ons af. Ik wist niet wat ik moest doen. Helpen? Wegrennen? Ik besloot weg te rennen, draaide me om, en midden in die beweging explodeerde de tweede bom, vlakbij. Een vuurbal. Het leek alsof het geluid me optilde. Tientallen meters verderop kwam ik neer. Ik landde keihard op mijn beide voeten – zo heb ik mijn hielbot verbrijzeld en de fracturen in mijn enkels en benen opgelopen. Ik viel naar achter, buiten bewustzijn. Langzaam kwam ik bij. Het was of mijn onderbewustzijn tegen me sprak. ‘Nidhi, je mag nu niet slapen. Dit was een bom. Zal ik mijn ogen openen? Ben ik dood? Dat mag niet, want de kinderen hebben schoolexamens.’

Toen ik langer keek zag ik overal stukken huid, ledematen, bloed. In mijn omgeving was ik de enige die leefde.

„Langzaam werd ik me bewust van de situatie. Ik dacht aan de aanslagen hier in Mumbai, in 2011. De terroristen bleven schieten tot ze geen beweging meer zagen. Lig stil, dacht ik. Zien ze het als ik mijn ogen open? Ik deed het. Ik zag alleen dikke rook. Ademen was moeilijk. Er was geen licht.

„Na een paar seconden bewoog ik een hand, dat lukte. Ik voelde aan mijn pols, mijn horloge, het glas was verdwenen. Het geeft twee tijden aan. De Belgische tijd stond stil, de Indiase liep. ‘Nidhi, je moet hier weg.’ Maar mijn benen bewogen niet, wat ik ook probeerde. Ik richtte me half op en zag: ik heb ze nog. Maar wat ik vervolgens zag was niet te bevatten. Naast me lag een man, voorover op zijn gezicht, zijn armen en benen gespreid, geen bloed. Was hij dood? Kon ik hem helpen? Kon hij mij helpen? ‘Meneer, meneer!’ Niets. Toen ik langer keek zag ik overal stukken huid, ledematen, bloed. In mijn omgeving was ik de enige die leefde.”

Er kwamen politiemensen aanrennen. Ze namen positie in. Een pakte haar op en zette haar op de metalen wandstoelen. Uit haar linkervoet stak een stuk ijzer, en ze begon steeds heviger te bloeden. De zool van haar rechterschoen was versmolten met haar voetzool. Het werd een chaos bij de stoeltjes. Alsof alle overlevenden juist dáár wilden zijn.

Foto Ketevan Kardava/Georgian Public Broadcaster via AP

„Het geroep om familieleden, geliefden, ik zal het nooit vergeten. Er kwamen agenten. ‘Weg hier, iedereen eruit!’ De mensen weigerden. ‘Mijn kindje, ik moet mijn kindje vinden.’ De jammerende vrouw had een kind in haar armen. ‘Mevrouw’, zei een agent, ‘u heeft het vast.’ ‘Nee’, zei ze ‘het is een tweeling’.

„Toen ik naar buiten was gebracht en in de kou op een brancard lag, wilde ik alleen nog maar omhoog kijken. Naast mij lag een man met gaten in zijn benen waar het licht doorheen kwam. Naast hem lag iemand wiens borstkas was opengereten. Ik wilde ze zeggen: Hou vol, het komt goed. Maar ik durfde niet naar ze te kijken.”

Ik stel haar een vraag. Ze reageert niet. Ze kijkt recht voor zich uit, afwezig.

„Oké”, zegt ze na een paar seconden, als ze haar energie heeft hervonden. Ze gebaart, ze lacht, haar stem gaat van laag naar hoog, van langzaam en intens tot een snelvuur van woorden. Ze vertelt over Allan, de agent die de taak had haar te ondervragen terwijl ze op een ambulance lag te wachten, en verliefd werd op haar omhoog starende ogen. „Hij kwam me twee keer opzoeken in het ziekenhuis en gaf me een dure zonnebril.” Ze lacht zachtjes en haar ogen krijgen een milde uitdrukking.

Ze herinnert zich hoe ze in het ziekenhuis razendsnel door vele handen werd onderzocht.

„Gaan jullie mijn benen afzetten?”, vroeg ze.

„Nee”, was het antwoord.

„Ben ik verbrand?”

„Je hebt brandwonden in je gezicht.”

„Dan wil ik niet meer leven.”

Haar lichaam was voor twintig procent verbrand en de botten in haar benen waren op ontelbare plekken gebroken.

Haar baan, haar passie. Haar man, die altijd zei hoe mooi ze was. Nu zou zelfs híj niet meer naar haar durven kijken. De mensen zouden meewarig doen jegens die kinderen van die gehavende moeder. „Ik wil geen sympathie of medelijden van wie dan ook”, schreeuwde ze. Ze moesten haar terugduwen op de brancard. Toen begon het middel te werken dat via een infuus werd ingebracht, en verloor ze het bewustzijn.

Haar verwondingen waren zo ernstig dat geen mens ze had kunnen verdragen, zelfs niet na toediening van de maximale dosis pijnstillers. Pas 22 dagen nadat ze in een gecontroleerde coma werd gebracht lukte het om haar weer bij bewustzijn te brengen zonder dat ze zo hard ging bewegen dat het helingsproces werd verstoord.

Rupesh Chaphekar: „Wat haar redde was haar overlevingsdrang. De artsen hadden haar alle medicijnen gegeven die ze konden bedenken: niets sloeg aan. Haar lichaam was voor twintig procent verbrand en de botten in haar benen waren op ontelbare plekken gebroken. De ene nacht was opeens haar hartritme onregelmatig. Een andere keer steeg haar bloeddruk veel te snel. Het was leven bij het uur. De uitkomst was onzeker, maar een ding zagen we allemaal: Nidhi wilde leven. Ze voerde een gevecht, een bikkelhard, wreed gevecht. En ze won.”

U vertelt uw verhaal steeds opnieuw aan journalisten. Waarom?

„Ik wil mensen tonen dat wie zich niet overgeeft aan angst, maar voor zichzelf blijft vechten, overwint. En ik heb een boodschap aan de terroristen: Wat jullie hebben gedaan is gruwelijk. Maar er zijn mensen die sterker zijn dan jullie. Ik ben er nog, en hóe. Het perspectief op mijn leven is veranderd, en ik wil dat licht laten schijnen op anderen. Elke dag brengt een nieuwe kans om iets goeds te doen.”

Twee dagen nadat ze uit haar coma werd gehaald, liet Rupesh haar de foto zien. „O mijn god, dacht ik. Waarom hebben ze mijn naaktheid niet gecensureerd? Toen zag ik de blik in mijn ogen. Daar zat alles in. De tragedie van het moment, de hulpeloosheid, de angst, de schaamteloosheid van elke terreurdaad. Ik vroeg mijn man: Heb je je ooit geschaamd dat je vrouw zo werd afgebeeld? Hij zei: ‘Geen seconde.’ Onze kinderen zeiden: ‘Iedereen heeft het alleen maar over je dapperheid. Op de foto ben je als een tijgerin te midden van het gevaar.’”

Slachtoffers vragen zich soms af: waarom moest uitgerekend mij dit overkomen?

„Ik was ingeroosterd op een andere vlucht, maar ik wilde per se deze. Het was een van onze laatste vanuit Brussel. Inmiddels vliegen we vanuit Amsterdam op de VS. Ik wilde afscheid nemen van Zaventem. Een jonge stewardess vroeg me te ruilen. Ik zei tegen haar: ‘Sorry, maar ik heb te hard geknokt voor deze vlucht.’ Ik ben niet religieus, maar blijkbaar is toch ergens bepaald dat ik het moest zijn.”

Betreurt u dat?

„Absoluut niet. Want ík heb de kracht om dit te boven te komen.”