Commentaar

Ieder zijn eigen Jezus

Wat we nu kennen als christendom – met ruim 2 miljard aanhangers de grootste godsdienst op aarde – is maar een schamel overblijfsel van een brede massa aan overtuigingen die rondkrioelden in de Romeinse tijd, toen het christendom nog jong was. Pas de verheffing tot keizerlijke godsdienst, in de vierde eeuw, bracht eenheid in dat christelijke mierennest, onder het barse Romeinse motto: ‘één rijk, één keizer, één god’. Simpel gezegd werd toen een dubbelbesluit genomen dat nog altijd de breed geaccepteerde christelijk basis is: ‘Jezus is god én mens’. Er waren vele andere stromingen waarin Jezus zuiver goddelijk was of juist volledig mens, maar die werden door staat en kerk weggedrukt of zelfs vervolgd.

Maar zelfs in het relatief smalle godmenskanaal dat de christenen daarna overbleef, is enorme variatie mogelijk, zoals ook het huidige tableau de la troupe laat zien: van Ethiopische kopten via Limburgse katholieken en de Koreaanse Moonsekte tot aan Mormoonse splinterkerken in de woestijn van Utah. Allemaal hun eigen Jezus.

Maar wie was hij echt, in de gewone historische werkelijkheid van 2000 jaar geleden, ontdaan van die dikke schil van dromen, dwanggedachten en drogredenen?

Er wordt allicht veel onzin over Jezus beweerd, maar wie zorgvuldig de beschikbare historische bronnen weegt, kan toch wel een redelijk betrouwbaar beeld vormen. Niet zo gek, want het gaat het hier over een man die zelf al zei (naar verluidt): ‘Zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan’.

Alleen al door duidelijk te maken wat we met redelijke zekerheid weten en waar we in het duister tasten, kan de wetenschap in deze kwestie grote helderheid scheppen.

Verderop in deze bijlage vertelt Jona Lendering het wetenschappelijke kerstverhaal: over feit en fictie bij een joodse eindtijdprediker die zich vergiste.