Opinie

Hoe een konijn mij leerde samenleven

had nooit gedacht dat hij ooit met een loslopend konijn en een meisje zou samenwonen. Een pleidooi voor afhankelijkheid.

Foto’s Rutger Lemm

In december ben je nergens veilig voor kersthits. Naast de onvermijdelijke Wham! en Mariah Carey galmt er ook een vreemd snerpende stem door de ether: „Het was kerstochtend, 1961. Ik weet het nog zo goed: mijn konijnenhok was leeg.” Youp van ’t Hek schreef ‘Flappie’ 25 jaar geleden, en het simpele verhaal heeft nog altijd een iconische status. Misschien vanwege die typisch Nederlandse beelden („We zochten samen, samen tot de koffie, de familie aan de koffie, maar ik hoefde niet”), maar vooral vanwege de climax: „Toen na de soep het hoofdgerecht zou komen, sprak mijn vader uiterst grappig: ‘Kijk Youp, daar is Flappie dan.’” De meeste luisteraars verplaatsen zich in het verdriet van het kind, maar sommigen kunnen besmuikt lachen om deze vaderlijke streek.

Ik weet niet of het door Flappie komt, maar mensen maken vaak dezelfde grap over ons konijn. Meestal zijn het machomannen. „Zo, jullie zijn vroeg met de kerstinkopen”, zegt de cv-installateur zodra het beestje aan zijn schoenen snuffelt. „Als dat beest je niet bevalt, heb je tenminste nog een hoofdgerecht tijdens de Kerst”, grijnst een oom. Het konijn is een symbool voor kwetsbaarheid en zachtheid, en Kerstmis is een moment om intimiteit met familie en geliefden te vieren. Logisch dat sommigen die twee graag in één klap onschadelijk maken.

Ik had ook niet verwacht dat ik ooit met een loslopend konijn en een meisje zou samenwonen. Als tiener ontwikkelde ik een grote haat voor het burgerlijke concept van huisje-boompje-beestje, mede dankzij de cabaretprogramma’s van Youp van ’t Hek die ik tot in den treure op mijn walkman luisterde. Van ’t Hek ging tekeer tegen de Ikea en Buckler, en propageerde dat je moest leven alsof het je laatste dag is. Deze romantische levensinstelling paste goed bij mijn onstuimige tienerziel, maar ook op latere leeftijd bleef ik erin geloven. Ik wilde geen kantoorbaan, geen agenda, geen spaarrekening. Geen verplichting, geen relatie. Tot Kerstmis 2013.

Ik had een bijzonder meisje ontmoet, maar ik bleef mijn afstand houden. Ik had een boekcontract getekend, maar ik liep al snel vast. De kerstdagen waren beklemmend, met hun tuttigheid, schoonfamilies en ongemakkelijke stiltes – ik hoorde telkens Youp van ’t Hek in mijn achterhoofd. Na de kerstvakantie probeerde ik het uit te maken, maar mijn vriendin was niet overtuigd: „Volgens mij gaat het gewoon niet goed met je.”

Lees ook een eerder stuk van Rutger Lemm: Kon je je ouders maar loslaten zoals je een pleister lostrekt: snel, soepel, zonder lijmresten. Waarom moest ik breken met deze lieve, redelijke mensen?

Tijdens de post-kerstdepressie zag ik de waarheid achter mijn individualistische bestaan. Ik woonde in m’n eentje in een studio-appartement en werkte als freelancer. Alles in mijn leven dreef op mijn energie, maar nu ik door de depressie niet kon werken, lezen of sporten, gebeurde er helemaal niets. Het was het tegenovergestelde van het einde van de kerstfilm It’s A Wonderful Life, als de engel aan George Bailey laat zien hoe erg hij door alle inwoners van zijn dorp gemist zou worden als hij niet geboren zou zijn. Ik had altijd tegen afhankelijkheid gestreden, en nu wachtte er niemand op me.

De psycholoog die me bij mijn herstel hielp, heette dr. Engel. Hij leerde me dat voor toewijding geduld nodig is en relativeerde mijn dramatische neigingen met droge grappen: „Ah, jij wil net zo romantisch zijn als Nietzsche. Je weet hoe het met hem afliep, toch?” Ik las op nu.nl/achterklap over de vele minnaressen van Youp van ’t Hek, en vond zijn rebellie opeens een beetje sneu. Het lukte me om mijn boek af te maken, en mijn vriendin en ik bleven bij elkaar. Maar ik durfde nog steeds niet samen te wonen.

Bij mijn boekpresentatie trad een bevriende cabaretgroep op. In hun introductiepraatje confronteerden ze me met mijn afstandelijke aard: „Eigenlijk zijn drie van ons écht goed bevriend met Rutger, maar Benny niet zo”, sprak een van hen vol ironie. Dat was waar. Ik had nooit echt een band opgebouwd met het mannetje dat in hun programma’s ook vaak de lul is. „Dus als we met onze vriendengroep hangen, zitten Rutger en Benny eigenlijk met elkaar opgescheept.” De zaal lachte. Het optreden begon.

Tijdens een mime-sketch zou Benny zogenaamd neergeslagen worden. Maar dit keer kwam de aanvaller niet goed uit met zijn passen en sloeg de kleine man vol op zijn neus. Zijn bril vloog af, er was bloed, Benny stoof het toneel af, de rest ging erachteraan. In de zaal ontstond verwarring: hoorde dit erbij? Het deed denken aan de dood van de Britse absurdist en goochelaar Tommy Cooper, die op het podium stierf aan een hartaanval, terwijl het publiek lachte en klapte.

In Coopers geboorteplaats Caerphilly (Wales) staat nu een bronzen standbeeld van de komiek. Hij draagt zijn karakteristieke fez, heeft een goochelstok in de hand, en bij zijn voet zit een konijn. Het schijnt dat goochelaars graag konijnen voor hun truc met de hoge hoed gebruiken, omdat deze dieren van kleine, donkere ruimtes houden, en ze zich heel klein kunnen maken. Tommy Cooper sloeg overigens zijn vrouw en had decennialang een affaire met zijn assistente.

Na het cabaret stond het officiële presentatiemoment gepland, dat nu vooral ongemakkelijk aanvoelde. De presentatrices hadden bovendien een verrassing voorbereid. „Nu je een boek hebt geschreven, kun je de verantwoordelijkheid voor een ander levend wezen aan”, grapten ze. Vervolgens legden ze een konijntje in mijn armen. Toen ze me vroegen: „Hoe heet-ie?”, antwoordde ik zonder aarzelen: „Benny.”

Het konijn dat vernoemd was naar mijn slechtste vriend ging mee naar mijn studio-appartement. Na de eerste vertedering kreeg ik al snel een hekel aan de ongenode gast. Benny knaagde mijn opladers kapot en liet keutels onder de bank achter. Ik had geen aparte kamer om hem op te sluiten, en ’s nachts hield hij me wakker door aan de tralies van het hok te knagen. Het ergste was nog wel dat het konijn tegelijk eigenwijs en angstig was: als ik Benny wilde oppakken voor een selfie, sprong hij meteen uit mijn armen en stampte woedend met zijn achterpoot op de grond. Hij liet zich alleen aaien als hij rugdekking had. Ik zocht op hoe oud konijnen kunnen worden: twaalf jaar.

Mijn vriendin was meteen gek op Benny. Soms trof ik haar bij thuiskomst aan, terwijl we helemaal niet hadden afgesproken. „Ik kwam even Benny aaien”, glunderde ze. Het konijn voelde als een spion. Op een dag stelde ik voor om Benny in een natuurgebied los te laten. „Maar… het is hartje winter. En hij kent daar niemand!”, zei mijn vriendin, terwijl haar ogen zich met tranen vulden. Ik omhelsde haar snel en zei dat het een grapje was.

In de natuur leven konijnen in groepen van honderden soortgenoten, zo las ik op internet. Daarom is het zielig om een huiskonijn in zijn eentje te houden. Ook dat nog. Ik keek van mijn laptop naar Benny, die een wortel at. Daar zaten we dan, twee groepsdieren die solo waren gegaan.

Vlak voor Kerstmis 2015 werd Benny ziek. Hij nieste telkens en ademde moeilijk. Een verkoudheid kan dodelijk zijn voor een konijn, las ik op knabbelhuis.nl.

Op de behandeltafel van de dierenarts begon Benny zich meteen te verzetten. „Zo, een pittige tante zeg”, zei de dierenarts. „Tante?”, vroeg ik. „Ja, en een mooi dametje ook.” Benny was dus een meisje. Ik voelde opeens hoe ik gloeide van trots. Dat is mijn konijn, dacht ik. Mijn pittige, mooie konijn. Ze legde Benny op haar rug en zocht naar haar minuscule anusje. Toen ging daar een thermometer in. Benny keek me aan met een gepijnigde blik die door mijn ziel sneed. Ik wilde haar meteen mee terug naar huis nemen. „Sorry hoor”, zei ik, terwijl ik mijn tranen snel wegveegde. „Geeft niks”, zei de dierenarts, „dat gebeurt vaker.” Ze schreef antibiotica voor, en Benny knapte op.

Eigenlijk lijken we heel erg op elkaar, Benny en ik. We houden er allebei van om overdag te slapen. We eten graag wortels. In kleine, donkere, warme ruimtes voelen we ons prettig. We zijn kwetsbaar en toch sterk. En we zijn allebei vaak een beetje bang voor de buitenwereld: we houden niet van onverwachte aanrakingen, plotseling lawaai of vreemden.

Dat jaar voelde Kerstmis anders. Ik had zin om mijn schoonfamilie te zien, en na afloop in de trein genoot ik van de vertrouwde stilte tussen mijn vriendin en mij.

Het ontroerende van de mens is dat we elkaar nooit helemaal kunnen vertrouwen, maar dat we ook niet zonder elkaar kunnen overleven. Telkens gaan we toch die kwetsbare bindingen aan. Ik moest eerst een konijn toelaten voordat ik een mens dichtbij liet komen: dankzij Benny wende ik aan een onverwachts element in mijn huis, en begon ik het fijn te vinden dat iemand op me wachtte. Uiteindelijk vonden mijn vriendin en ik een huis waar we allebei een eigen werkkamer hebben, hoewel ik meestal in de woonkamer schrijf – om Benny gezelschap te houden (en andersom).

Romantiek is puberaal. Door zijn afkeer van burgerlijkheid veranderde Youp van ’t Hek in de agressieve, solistische en flauwe vader uit ‘Flappie’, in plaats van het oprechte kind dat zijn konijn zoekt. Anno 2016 is het dapperder om toe te geven dat je de ander nodig hebt.