Waar blijft het oceaanplastic?

Of aalbessen en blauwe bessen zinken dan wel drijven, hangt af van de concentratie opgelost suiker in het water. Foto: Studio NRC

In de fact check-rubriek van deze krant is vorige week gezegd dat er geen eilanden van plastic afval in de oceanen drijven. Oud-politicus Jan Terlouw had dat beweerd in zijn inmiddels befaamde tv-toespraak over het verlies van vertrouwen en de verwoesting van de aarde. „Op vijf plekken in drie oceanen drijft een plastic massa ter grootte van duizenden vierkante kilometers”, zei hij op 30 november. In de krant is uitgelegd dat het bestaan van deze massa een mythe is.

Dit heeft de lezers niet onberoerd gelaten. Er waren er, vooral zeereizigers, die blij waren dat het eens gezegd werd. Zij hadden tijdens hun tochten nooit noemenswaardige hoeveelheden plastic gezien. Anderen zeiden dat Terlouw het helemaal niet zo letterlijk bedoeld had, ’t was meer bij wijze van spreken geweest.

Een derde groep dacht dat de oud-politicus het wel degelijk meende en dat de plastic massa er ook heus wel zijn zou. Had de krant niet zèlf in juni 2014 geschreven dat de massa ‘meters dik’ was? Dat de massa nooit was gefotografeerd wilde niet zeggen dat-ie niet bestond. Afwezigheid van bewijs is geen bewijs van afwezigheid. En was er niet die veelgeprezen jongeman die de massa ging opruimen? Die was óók op tv geweest.

Misschien dat de mythische massa ooit op een satellietopname van Google Earth opduikt, maar voorlopig is het het beste ervan uit te gaan dat-ie niet bestaat. En dat-ie er niet komt ook. Want aan de mythe kleeft een mysterie: er wordt steeds meer plastic geproduceerd, er spoelt steeds meer plastic van stranden en uit rivieren de zee in, vooral rond China en Indonesië (Science, 13 februari 2015), en toch neemt de plasticconcentratie in de hogere oceaanlagen niet toe. Ook niet in de vijf grote concentratiegebieden voor drijvend afval, de zogenoemde ‘gyres’ . Dat zijn zeegebieden die onder invloed van de wind in langzame werveling zijn en drijfvuil naar hun centrum voeren.

Plastic soup’

Dat er zo weinig wetenschappelijke literatuur is die het bestaan van plastic afvaleilanden expliciet ontkent is niet vreemd: het is in dat milieu nooit verondersteld. De Amerikaanse oceanografische dienst NOAA herhaalt het soms nog wel eens: there are no floating landfills. De veronderstelde vervuiling, soms ‘plastic soup’ genoemd, bestaat voornamelijk uit stukjes plastic van een paar millimeter groot, zelden in hogere concentratie dan één stukje per m2. Het zijn de resten van verpakkingsplastic dat ooit groter was. (Zie onder andere het tijdschrift Physics Today, februari 2015, en PLOS ONE, 10 december 2014).

Toch zijn de brokjes gevaarlijk: ze absorberen chemicaliën, worden opgegeten en fungeren als transportmiddel voor mariene flora en fauna die zo op plekken komt waar dat niet moet. De aanwezigheid van plastic in zee botst ook met het westerse zuiverheidsideaal. Wubbo Ockels wilde het opvegen, liefst met behulp van vliegers. Hij daagde medestanders uit met totaal nieuwe oplossingen voor de vervuiling te komen.

Veel aandacht kreeg Boyan Slat, de scholier, later student, die bedacht dat reusachtige drijvende veegarmen (zoals ingezet bij olierampen) het plastic zouden kunnen concentreren als ze in een V-vorm werden opgehangen. Je verankerde de armen aan de zeebodem en liet de gyre-stroming de V in stromen. In de punt van de V viste je het concentraat met een machine uit het water.

Het ‘Ocean Cleanup’-idee is eigentijds wervend gepresenteerd en groeide uit tot een inspirerend project voor Delftse technici. De feasibiliy study uit 2014 oogt overtuigend – TEDx en DWDD eroverheen, en je bent er al bijna. Toch bestaat er veel technisch-wetenschappelijke twijfel rond de constructie die aan kabels van duizenden meters lengte moet komen te hangen. Hij kan ook veel zeeleven wegvangen. En praktijkproeven hebben bitter weinig opgeleverd.


Tekst gaat door onder de video.

Bovendien is het maar één van de vele zeezuiveringsprojecten en is het een typische end-of-pipe oplossing. Sommigen willen het plastic liever opvangen waar het de zee in gaat, dus langs stranden en in riviermonden. Een ander idee is vissers een premie aan te bieden voor het verzamelen van grof plastic, zoals losgeslagen, onbeheerde visnetten.

Waar blijft toch al het plastic dat wel de zee in ging maar niet in het zeewater wordt teruggevonden? De kans is groot dat het door aangroei van algen en/of kleine diertjes steeds zwaarder werd en op den duur naar de bodem zakte. In sedimentmonsters is al veel plastic teruggevonden (Lucy C. Woodall et al. in Royal Society Open Science, 2014).

Het plaatje hier lijkt ver van de zee en haar plastic af te staan, maar dat is schijn. Het laat zien hoe minieme verschillen in dichtheid (‘soortelijk gewicht’) bepalend zijn voor het lot van afval in water, in dit geval van aalbessen (Ribes rubrum) en blauwe bessen (Vaccinium corymbosum) in leidingwater. Beide bessen zinken in kraanwater maar de blauwe bessen zinken zachter. Ze hebben een lage dichtheid. Voeg je wat suiker toe aan het water dan komt aan het blauwe zakken al gauw een eind. Nog meer suiker en het blauw komt omhoog. Nóg meer en ook het rood verheft zich van de bodem.

Kortom: Als de zee minder zout zou zijn zou veel plastic sneller zakken, zo kun je de soep ook bekijken. Out of the box gedacht, zeg maar.