Recensie

Griezelverhalen over Sovjettijd

‘Bij de mensen ligt niet alles zo eenvoudig, er bestaat een verborgen, hardnekkig florerende dierlijke kant van het leven, en juist daar spelen zich allerlei weerzinwekkende, afschuwelijke zaken af.’

Tot dat inzicht komt de verweesde achttienjarige Zjenja, wanneer haar minnaars echtgenote haar valselijk van een geslachtsziekte beschuldigt en ze kort daarna het slachtoffer dreigt te worden van een nachtelijke groepsverkrachting, maar – ogenschijnlijk – gered wordt door schimmen van haar overleden ouders.

Het is deze ‘schaduwzijde van het leven’ die de nu in Rusland gevierde schrijfster Ljoedmila Petroesjevskaja (1938) in de bundel Er was eens een vrouw die haar buurkind wilde doden griezelig weet op te roepen.

Met recht luidt de ondertitel ‘macabere verhalen’. In de negentien vertellingen – even precies en zuinig van taal, en verontrustend van toon – keren klassieke sprookjes- en horroringrediënten terug. Mensen worden levend begraven (‘De arm’). Zwarte katten verraden op Edgar Allan Poe-achtige wijze dat de dood toch niet definitief heeft gezegevierd (‘Hygiëne’). En vanuit het gegeven dat ‘een mens altijd bang is dat er onbekende wezens aanwezig zijn’, creëert Petroesjevskaja in ‘Er is iemand in huis’, in verrukkelijke, met zwartgallige humor doorspekte zinnen, een heuse ‘poltergeist’, die een non-stop tv-kijkende vrouw haar huis en leven ondersteboven doet keren.

Petroesjevskaja’s hoofdpersonen zijn weduwnaars, weduwen, alleenstaande moeders, hongerige wezen, zoekende adolescenten. En zoals in de oorspronkelijk gruwelijke Grimmsprookjes worden ze gedreven door aardse emoties en de hardheid en wispelturigheid van het dagelijks bestaan. In ‘Wraak’ verandert jaloezie in diepe haat waardoor een kinderloze vrouw haar pasgeboren buurkind wil doden. Hebzucht en armoede stuwen ‘Het geheim van Marilena’ en ‘Het testament van de oude monnik’ voort. En de plot in ‘De nieuwe Robinsons’ wordt bepaald door schaarste en angst voor een naderende apocalypse.

Sprookjes passend hebben deze griezelverhalen een universele zeggingskracht. Toch weerspiegelt hun naargeestige sfeer ontegenzeggelijk ook de grauwe Sovjet-maatschappij die Petroesjevskaja – geboren toen de stalinistische terreur hoogtij vierde – heeft gevormd. Als tienjarige had ze volgens eigen zeggen ‘alle lagen van de hel al gezien.’ Leven betekende overleven. En dat deed je door te blijven hopen, precies zoals Petroesjevskaja’s personages dat doen, hoe deprimerend hun situatie ook is. ‘Noch hard werken noch een vooruitziende blik kan een mens redden van het noodlot, niets kan een mens redden behalve simpel geluk’, schrijft Petroesjevskaja veelzeggend.

Dit zonder-geluk-vaart-niemand-wel-besef typeert de bundel die aldus direct aan het aloude doel van de vertelkunst appelleert: het bieden van amusement, troost en hoop. Petroesjevskaja doet dat fantastisch goed.