Column

Europa heeft juist links iets te bieden

Caroline de Gruyter is correspondent in Wenen en schrijft wekelijks een column over politiek en Europa.

Foto Bart Maat/ANP

Diederik Samsom vertelt Pauw hoe het was om te regeren met de VVD: „Het voelde als een achtbaan met losse wielen.” Maar hij zette door, want het alternatief leek hem erger. „Wouter Bos blies het kabinet Balkenende IV op en toen kregen we een gedoogcoalitie met de PVV.”

Eindejaarsberichten uit de Europese sociaaldemocratie; je wordt er niet vrolijk van. Eens was er nog keus tussen twee wereldbeelden. Won links, dan stegen sociale uitgaven, kwamen er nationaliseringen en werden rijken en bedrijven zwaarder belast. Won rechts, dan kwamen er privatiseringen, en daalden de belastingen en de sociale uitgaven. Dit verschil is verdwenen. Dat is funest voor de politiek. Blair privatiseerde meer dan Thatcher. Premier Tsipras voert hetzelfde economische beleid als zijn conservatieve voorganger. Jean-Claude Juncker, een conservatief, zei eens tegen Jeroen Dijsselbloem:

„Ik ben de socialist, niet jij.”

Samsom had geleerd zijn emoties beter te beheersen, zei hij, én minder betweterig zijn. De kiezer trekt nog een les: het lukt de socialisten niet meer het kapitalisme te beteugelen. Dus stemt hij niet meer, of gaat hij voor radicale oplossingen. Dit is een probleem voor de hele samenleving.

Kapitalisme en democratie gingen nooit samen. Behalve in een korte periode na de Tweede Wereldoorlog. Na zoveel verschrikkingen deden werkgevers iets wat ze eerder nooit wilden doen: een welvaartsstaat opzetten met de arbeidersklasse. Maar in de jaren zestig hadden ze er al genoeg van. Ze wilden winst maken, aan buitenlandse expansie doen. Regeringen namen hun rol over; politieke leiders, getraumatiseerd door oorlog, wilden nieuwe sociale ellende tot elke prijs voorkomen. Gelukkig hadden ze er de middelen voor.

Dat ging goed tot rond 1980. Toen zaten staten diep in de schulden, en kwamen Reagan en Thatcher aan de macht. Zij privatiseerden om de staat te ontlasten. En ze globaliseerden de economie en de financiën. Zo konden staten, en later burgers, makkelijker lenen. Dit feest duurde tot 2008.

Door te globaliseren konden linkse én rechtse regeringen decennialang de welvaartsstaat min of meer overeind houden. Ze stelden de klap uit. Dit had een prijs: de politiek raakte de greep op het beleid kwijt. Het beleid werd internationaal, terwijl de politiek nationaal bleef. Burgers stemmen nu op partijen die per definitie weinig aan de situatie kunnen doen. Politici kunnen alleen wat managen. Voor links is het fataal.

Iedereen wil nu ‘democratische vernieuwing’. Maar weten we nog wat dat is? De Duitse socioloog Wolfgang Streeck definieert het als „zorgen dat democratische politiek weer prevaleert boven de kapitalistische dynamiek”.

Hij denkt dat dit erg moeilijk gaat worden. Sinds we rationele, economische discussies uit de nationale democratie hebben getild, praten politici en kiezers vooral nog over ‘softe’ issues zoals burkini’s, homohuwelijken en vrouwen aan de top: emotionele thema’s die raken aan religie, waarden en identiteit. Over de economie kunnen je compromissen sluiten. Over identiteit of religie niet. Elk argument is een belediging. Hoe meer mensen erover discussiëren, hoe bozer ze worden.

Als je het kapitalisme wilt temmen, moet je Google belasten, banken herreguleren, in sociale voorzieningen investeren. Solo-acties zijn zinloos: landen moeten het samen doen. Linkse partijen moeten dus Europa herontdekken en gebruiken. En de burger uitleggen waaróm. Inclusief de dilemma’s. Als de nieuwe PvdA-leider dat eens zou proberen, in plaats van gemakzuchtig naar Brussel te wijzen, kan het misschien een voorzichtig nieuw elan in de politiek opleveren.