Recensie

Duwen, en kijken wat er omvalt

Mark Greif

Na twaalf jaar heeft de Amerikaanse essayist Mark Greif zijn stukken gebundeld. Van fitness en YouTube tot hipsters en inkomensongelijkheid – alles onderwerpt hij aan een bevlogen onderzoek.

Mark Greif, oprichter van n+1 en schrijver van boze essays Foto Mathieu Bourgois/Writer Pictures

Zo’n tien jaar geleden richtte een groepje oud-Harvard studenten het literaire tijdschrift n+1 op. Mark Greif was een van hen. Ze vonden dat literatuur meer moest zijn dan comfortabel vermaak. n+1 was vooral gericht tegen andere literaire tijdschriften. Die waren te jolig, vonden ze. Te veel bezig om een ontsnapping te zijn van het leven waar ze midden in zouden moeten staan. n+1 was een vorm van verzet, een poging om in ieder geval een rol te spelen in het publieke intellectuele leven.

Sindsdien gaat het goed met n+1. Zo goed, dat het na tien jaar nog steeds weken duurt om het tijdschrift in Nederland in handen te krijgen. De debatten en lezingen die n+1 organiseert, worden vaak zo druk bezocht dat ze de reputatie hebben de beste literaire feesten van New York te zijn, een beetje zoals vroeger de avonden van de Paris Review dat waren.

Greif is niet de bekendste van de oprichters. Dat is waarschijnlijk Benjamin Kunkel, die in 2005 een bestseller schreef met Indecision, of Chad Harbach, die in 2011 een wereldhit had met zijn roman The Art of Fielding. Greif is wat ingetogener. Met z’n kleine brilletje en zachte stem heeft hij een brave uitstraling. Vanaf het begin was hij een productieve schrijver voor n+1 en besteedde hij minder tijd aan zijn eigen boeken. Wel maakte hij uitstapjes, zijn stukken verschenen in onder meer de London Review of Books en hij doceert aan The New School in New York.

De essays die hij de afgelopen twaalf jaar schreef zijn nu gebundeld in Against Everything. Hij introduceert het als een boos boek, als een zoektocht naar ‘waar ik eigenlijk voor leef, principieel, en waarom zoveel om me heen verkeerd voelt en verschrikkelijk is, en wat geaccepteerd lijkt te worden zonder een collectieve kreet van pijn.’ Het zijn persoonlijke essays, waarvan de oudste zijn geschreven tijdens het bewind van George W. Bush, waarna onder meer de economische crisis van 2008 en het politiegeweld in Ferguson volgen.

Oneerlijkheid

Greif (1975) zoekt naar een manier om ‘eerlijk te kunnen leven in oneerlijke tijden’. En met die oneerlijkheid doelt hij op het 21ste-eeuwse kapitalisme en consumentisme. In zijn essays heeft Greif het telkens over ‘wij’, een groep die hij omschrijft als ‘de middenklasse, de mensen in de rijke landen, Amerikanen en Europeanen en hun soortgenoten overal in de wereld.’

Het eerste essay is een gepassioneerde aanklacht tegen de fitness-cultuur. Terwijl Greif op de lopende band staat begrijpt hij eigenlijk niet wat hij aan het doen is. Waarom, vraagt hij zich af, zijn we zo druk met ons leven te verlengen, in plaats van bezig te zijn met het leven dat we hebben op een goede manier te gebruiken. ‘Als we in deze tijd en in deze wereld nou eens de behoefte verwierpen om langer te leven, wat zou er voor Rijke Westerlingen dan in de plaats komen?’ En ‘Is het misschien naïef te hopen dat de moderne menselijke vrijheid ons omhoog stuwt naar een samenleving van maatschappelijke betrokkenheid, zoals de Atheners onder Pericles, of dat we gewoon blij zijn met wat we hebben, zoals in Eden?’

De essays die volgen zijn aanklachten tegen de gezonde eetcultuur (waarom, als het zo overduidelijk goed is voor iedereen om bewust te eten, is onze wil om er echt iets aan te doen zo zwak?), inkomensongelijkheid, YouTube, Radiohead, politiegeweld en ‘seks-kinderen van Lolita tot Paris Hilton’.

Paradijsvogels

Een van de bekendste essays in deze bundel (2010) richt zich tegen hipsters, ver voordat vele anderen zich daar boos over maakten. Hipsters worden nu te pas en te onpas bevoorrechte paradijsvogels genoemd die de prijzen in een buurt komen opdrijven. In 2010 stonden Williamsburg in New York en Shoreditch in Londen (en Amsterdam-Noord?) nog helemaal niet zo bekend. Greif herleidt het ongemak dat mensen hebben met hipsters tot de culturele toeëigening van jazz door rijke, witte New Yorkers in de jaren vijftig. Dat waren verveelde jongeren die wilden delen in de muzikale hartstocht van de zwarte onderklasse. Het leidde tot een culturele verovering van de bovenklasse op de onderklasse. De hipster van deze tijd wil naar de markt, wat vroeger een goedkoop alternatief voor winkels was. En de hipster gaat naar feestjes in oude DDR-fabriekshallen en brouwt zijn bier het liefst zelf.

Een verwant essay in deze bundel is het verhaal over hiphop, waarin Greif als midden-dertiger probeert de culturele betekenis van het genre te begrijpen door zelf te gaan rappen. Dat lukt hem natuurlijk niet echt en dat maakt hem boos. Dat komt ook voort uit zijn gevoel dat hij te wit en te middenklasse is om sommige dingen te begrijpen.

De essays in Against Everything zijn prachtig geschreven, bevlogen en doodernstig. Merkwaardig is dat de uitgever het boek aanbeveelt als ‘hilarisch!’ De hilariteit ontstaat vooral bij de momenten dat Greif zo ernstig is dat het belachelijk wordt, zoals in het essay waarin hij YouTube onderwerpt aan marxistische deconstructie. Tegelijk zijn Greifs verhalen ook optimistisch. De titel Against Everything verwijst niet alleen naar boosheid. Zo vertelt hij in de proloog hoe hij met zijn moeder regelmatig ging wandelen bij Walden Pont, vlakbij Boston. Bij dat meertje stond de houten hut waar de transcendentalist David Henry Thoreau (1817-1862) zich terugtrok, ver weg van het maatschappelijk gewoel. De moeder van Greif spoorde haar zoon aan om net als Thoreau overal tegenaan te duwen, om te zien of iets standhoudt. Maar vooral ook: om je er van te verzekeren dat er ‘against everything’ echt geen beter alternatief is.

In het laatste hoofdstuk komt Greif terug op Thoreau, wanneer hij eindelijk diens meesterwerk Walden (1854) heeft gelezen. Greif schrijft: ‘het was tijdlozer dan ik had verwacht en hoopvoller en liefhebbender.’ De geldt ook voor Against Everything. De boosheid komt voort uit het geloof dat het ook beter kan.