Cultuur

Interview

Interview

Foto Merlijn Doomernik

De dokter verlaat zijn comfort zone

Bestuursvoorzitter Marcel Levi van het Academisch Medisch Centrum stond een nier af en vertrekt naar Londen. Voor een nóg zwaardere baan.

Deze Kerst draait hij voor de laatste keer zijn dienst als arts. En dan is het echt voorbij. Zijn kamer E2-126 heeft hij al leeggeruimd, in het ziekenhuis waar hij eigenlijk al meer dan dertig jaar leeft.

Marcel Levi, internist, bestuursvoorzitter van het AMC, decaan van de geneeskundefaculteit, verlaat zijn natuurlijke habitat. Weg uit het Amsterdamse en uit de Nederlandse zorg. In Londen gaat hij het vooraanstaande University College London Hospitals leiden, een syndicaat van vijf academische ziekenhuizen.

Dit is niet zomaar een carrièrestap. Levi is een Nederlander die op verschillende vakgebieden tegelijk internationaal op het hoogste niveau meedraait: als wetenschapper, als medisch specialist en als bestuurder.

Elsevier zette hem pontificaal op de cover als ‘Nederlander van het jaar’. Natuurlijk vond hij dat wel leuk, reageert Levi. Hij is „niet tegen aandacht”. Maar waren er echt geen betere kandidaten? „Neem Max Verstappen. Die vind ik heel cool. Dat hij op het eind van een race iemand achter zich heeft en hem gewoon niet voorbij laat gaan. Dat hij een enorme drang heeft om te winnen en eigenwijs is. Of hoe hij in de regen op een zelf gekozen lijn iedereen passeert. En hij rijdt echt niet roekeloos, hoor. Hij weet heel goed wat hij doet. Hij is héél professioneel.”

Typisch Levi, zo’n reactie. Bescheiden en ijdel tegelijk. En hijzelf is de eerste om dat toe te geven. Hij noemt zichzelf een „doktertje” of een „ziekenhuismannetje”. Eind april zegt hij in een eerste ontmoeting met NRC dat hij later dat jaar „even uit de running” zal zijn. Omdat hij een nier doneert. Niet voor in de krant. Dat is privé.

Maar hij laat zich door mensen om hem heen overtuigen. Wat als een boegbeeld als hij naar buiten treedt met het altruïstische donorschap? Die keuze wordt des te makkelijker als een nieuwe donorwet in het najaar veel kritiek oproept en donors zich afmelden. In de Volkskrant volgt een uitgebreide reportage over hoe hij zijn linkernier aan een wildvreemde schenkt.

Weggeven is belangrijk in de orthodox Joodse opvoeding die Levi kreeg. Goed doen.

En je situatie moet het toestaan, redeneert hij. Hij heeft geen kinderen, er zijn geen mensen afhankelijk van hem en hij is fit. Begin december licht hij tijdens een ontmoeting in een Amsterdamse koffietent toe: „De transplantatieklinieken kregen een hausse aan aanmeldingen van altruïstische donoren. Dat was wel fijn om te horen.” Tegelijkertijd betwijfelt Levi of hij ook zo naar buiten zou zijn getreden als hij in Nederland was gebleven.

Marcel Levi is er niet de persoon naar om impulsief te handelen. Hij lijkt over alles te hebben nagedacht. Of komt het omdat hij gewoon sneller denkt dan zijn omgeving? Als zoon van Robert Levi – arts, ziekenhuisdirecteur en zorgbestuurder – wist Marcel Levi vrij snel dat ook hij arts wilde worden. Vanaf het begin van zijn studententijd is hij kind aan huis in het AMC – een dorp waar hij iedereen kent.

Naast zijn werk als bestuurder, onderzoeker en arts – hij draait eenmaal per week een dag dienst met patiënten – schrijft hij columns en opiniestukken en houdt hij er 27 nevenfuncties op na: voornamelijk toezichts- en bestuursfuncties in wetenschap, zorg en onderwijs. Bij zijn sollicitatiegesprekken in Londen kwam hij al veel bekenden tegen – op zijn vakgebied heeft hij een wereldomvattend netwerk.

Wie de rekensom maakt, denkt dat al die werkzaamheden niet samengaan. Maar met Levi’s leefwijze kan het wel. Iedere dag staat hij om half vijf op, vóór half een gaat hij nooit naar bed. Meer slaap heeft hij niet nodig. Zijn broer en moeder hebben dat ook. „Zit kennelijk in de genen”.

Dagelijks racete hij op zijn wielrenfiets van de grachtengordel naar het AMC. Hij was daar gewend om half zes ’s ochtends zijn correspondentie af te werken. Dus hij heeft letterlijk al een halve werkdag achter de rug als zijn collega’s op het werk verschijnen.

„Je kunt me als workaholic kwalificeren, dat heeft een negatieve connotatie. Voor mij geldt: haal ik er energie uit?” Privé en werk lopen dwars door elkaar heen. Hij leest met plezier in de avonden of het weekend de onderzoeksprojecten van zijn promovendi door.

„Ik zeg tegen jonge mensen: je balans moet kloppen. Mijn partner woont al overal en nergens, heeft een internationale baan. We wonen niet samen. We hebben geen kinderen. Als ik die had gehad, dan had dit schema niet gekund.”

Zijn ongebondenheid is dus deel van zijn succes. Heeft hij nooit tegenslagen gehad? Kent Levi het ongeluk? Wie hem dat vraagt, krijgt ineens minder veelzeggende antwoorden. Hij komt openhartig over, maar zijn persoonlijke leven bewaakt hij als een fort.

Dorpsdokter

In Londen gaat hij doen wat hij veel van zijn studenten adviseert: in het diepe springen. Hij verlaat zijn comfort zone. „In het AMC weet ik van de mensen met wie ze een relatie hebben, hadden of bezig zijn te krijgen. Dat raak ik in een klap kwijt.”

Hij beseft dat er in Londen ook meer hiërarchie zal zijn. Zijn toekomstige secretaresse vroeg hoe hij aangesproken wilde worden. Professor, dokter? „Hier noemt iedereen mij, van de schoonmaker tot de portier, bij de voornaam. Ik heb ook al aangekondigd dat ik geen das draag, behalve bij sollicitatiegesprekken.”

Met hiërarchie maakte hij eerder kennis in de Italiaanse gezondheidszorg. Samen met zijn broer heeft hij een vakantiehuis gekocht in Toscane „in een dorp met vijftig mensen en drie families”. Hij is er prompt de dorpsdokter geworden. „Zij passen een beetje op ons huis als we er niet zijn, ze helpen met de druiven en de olijfbomen. En ik doe voor het hele dorp de suikerziekte en de pacemaker. Ik heb een jaar in Perugia gewerkt in het ziekenhuis, dus ik heb daar makkelijk toegang tot medische zorg. Dus dat is een soort ruilhandel, haha.”

„Ik heb ook veel e-mail-contact met de bewoners. Ze stellen medische zaken uit, wachten tot ik er ben. Dan moeten ze een scan, en is er een lange wachttijd. En dan bel ik naar het ziekenhuis en kunnen ze wat eerder. Dat is toch enorm grappig.”

Wat hem er wel tegen de borst stuit is die hiërarchie: in Italië kijken mensen nog sterk op tegen de dokter. „Dat is best vervelend. Dat werkt namelijk niet. Ik ben in Amsterdam opgegroeid en daar zeggen mensen gewoon wat ze vinden. Als ze niet blij met je zijn, dan zeggen ze het ook. Dat is vaak niet zo leuk maar het helpt wel enorm om de relatie goed te houden. Dan kan je de lucht klaren. In Italië zeggen ze dat nooit terwijl ze misschien helemaal niet tevreden zijn. Dat is echt idioot.”

„Ik moest daar ooit echo’s maken. Ik was er toen nog niet zo goed in. Dus het duurde lang. De hele wachtkamer zat vol, ik liep onwijs uit. En dan was het twaalf uur en kwam een collega mij halen en die zei: ‘Kom, we gaan lunchen’. ‘Ik kan niet,’ zei ik, ‘er zitten nog vijf patiënten’. ‘Nou en?’, zei hij. En tegen de mensen in de wachtkamer. ‘Ja, wij gaan nu lunchen’. En dan zeiden die mensen: ‘dank u wel dokter’! Nou, dat moet je in Nederland doen. Met tien minuten uitloop beginnen mensen al moeilijk te doen – en terecht.”

“We moeten ophouden met dat megalomane gedoe. Dat is alleen maar ijdelheid van bestuurders.”. Foto Merlijn Doomernik

Zo leerde Levi het Italiaanse zorgstelsel van binnenuit kennen. „De zorg is er supergemedicaliseerd. En er is totaal geen verzorging. Op een afdeling van vijftig patiënten heb je twee verpleegkundigen en die doen niets anders dan infusen regelen en bloed prikken. Niemand is er om je eten te geven of te wassen. Dat moet de familie maar doen. De naastenliefde is vanzelfsprekend.”

Levi gaf er laatst nog een lezing over hoe wij langdurige zorg en de huishoudelijke hulp hebben georganiseerd. „Die Italianen moeten nog bijkomen van het lachen. Wij hebben alles uitbesteed. Zij begrijpen daar niets van. Als je moeder ziek is, ga je zelf toch extra stofzuigen en wat eten koken?”

Iedereen wil bouwen

Britten kijken in Nederlandse ziekenhuizen hun ogen uit, weet Levi: moderne gebouwen, nette inrichting, alles opgeschilderd, meubilair waar geen gaten in zitten. Maar ook in Nederland is de wereld aan het veranderen.

„Ziekenhuisbestuurders hebben veel te laat doorgekregen dat het geld uit Den Haag er niet meer is. Dat je alles bij de bank moet lenen. En als dat je al lukt, dan moet je op een gegeven moment afbetalen. Kijk maar, elk ziekenhuis in Nederland dat in financiële problemen zit, heeft recent gebouwd. Iedereen wil bouwen. Maar we moeten ophouden met dat megalomane gedoe. Waanzinnig, gewoon. Dat is alleen maar ijdelheid van bestuurders. Andere redenen kan ik niet verzinnen.”

Het AMC bouwt zelf ook aan iets groots: een fusie met het VUmc. Dat is wat Levi achterlaat. Hij werkte er jarenlang aan. De combinatie is straks met 1,7 miljard euro omzet en circa 13.000 werknemers het grootste ziekenhuis van Nederland. Maar groter zijn of efficiënter is niet de drijfveer van de fusie, zegt hij. En wordt dat ziekenhuis straks too big to fail – te belangrijk om het tenonder te laten gaan waardoor de maatschappij het altijd zal moeten redden? Ach, dat is AMC nu ook al. Net als de gemeente Amsterdam, zegt Levi, die is ook too big to fail.

De krachtenbundeling is juist bedoeld om bij complexe en niet veel voorkomende medische zorg vooruitgang te boeken. Bijvoorbeeld door de traumateams van beide instellingen samen te voegen zodat er permanent, 24 uur per dag, een traumatoloog aanwezig is. Als iemand nog van huis moet komen, verlies je een kostbaar half uurtje. Bij traumazorg is juist die begintijd cruciaal. Vergelijkbare voordelen voorziet Levi bij de bundeling van verloskunde en intensive care.

Levi vertelt uitgebreid over zijn werk in Amsterdam, op RTL Z:

En er zal geen nieuwe kolos worden gebouwd. „Ik praat me de blaren op de tong om te zeggen: niet bouwen. Wij wilden het liefst op één locatie, VUmc en AMC. Maar het is gewoon onbetaalbaar. Toen werd iedereen droevig, ze zeiden: ‘we weten niet of we nu het nog wel willen’. Maar ja, ik zei: het kost gewoon 400 miljoen euro extra. Denk je eens in wat je aan personeel en programma’s kunt draaien voor de jaarlijkse rentelasten van zo’n bedrag. Toen was die discussie snel voorbij. Zonder overheidsgeld gaat het niet lukken. Wij gaan geen miljard lenen.”

De vrees bij beleidsmakers voor exploderende zorguitgaven vindt hij tegelijk overtrokken. De gemiddelde Nederlander geeft jaarlijks meer aan zijn auto uit dan aan zijn gezondheid, redeneert hij. En Levi is niet bang om het hele stelsel ter discussie te stellen. Wat is de toegevoegde waarde van een verzekeraar nu eigenlijk, vraagt hij zich hardop af.

„Aan de ene kant is er zogenaamde marktwerking terwijl verzekeraars niet inkopen op prijs en kwaliteit, maar gewoon als betaalkantoor functioneren. En aan de andere kant mogen we niet samenwerken omdat het haaks zou staan op die vermeende marktwerking. We kunnen beter een publiek stelsel hebben en op sommige vlakken marktwerking toestaan in plaats van andersom. Juist bij planbare zorg als staaroperaties en liesbreuken bestaat er nu te weinig concurrentie.”

24 soorten hechtdraadjes

Volgens Levi is het een enorm voordeel om als arts een ziekenhuis te leiden. Hij weet nog goed wat hij zelf deed toen hij hoofd Interne Geneeskunde was en bij toenmalig bestuursvoorzitter Louise Gunning geld of een nieuw medisch apparaat nodig had. „Dan trok ik mijn witte jas aan. En dan zei ik: weet je Louise, als ik dat niet krijg, dan krijgen we een klacht. En dan gaan mensen dood. En het is een schande….”

Nu krijgt hij zelf die artsen over de vloer. En als die dan zeggen: we moeten dit of dat echt aanschaffen want anders gaan er mensen dood, dan zegt Levi soms: volgens mij niet.”

Bij de afdeling inkoop van AMC begrepen ze niet waarom er 24 soorten hechtdraadjes nodig waren. Eén contract voor vijf hechtdraadjes zou veel gunstiger zijn. „Als je dan als manager tegen de chirurgen zegt: Vanaf volgende week gaan we met vijf soorten hechtdraadjes werken. Jullie mogen zeggen welke – dan gaat dat niet werken. Want dan zeggen de KNO-artsen: ik moet echt proleen hupsefluts hebben. En de hartchirurg moet weer iets anders hebben. Einde discussie.

„Terwijl als je zelf in die wereld zit – ik ben niet eens chirurg – zeg ik: leg het me maar uit. Waarom is het hechtdraadje voor bloedvaten aan de linkerkant van je lichaam anders dan die voor de rechterkant?” Sommige dingen kunnen die chirurgen dan uitleggen, weet Levi, maar veel ook niet. Maar het scheelt zo een miljoen euro. „En de helft van die besparing mogen ze houden. Weet je hoeveel mensen je daarvan aan kan nemen? Dat is een veel leukere manier om je ziekenhuis in beweging te krijgen.”

Voor Levi is zijn arts-zijn zelfs een managementtechniek. Hij heeft als bestuursvoorzitter van die dagen dat hij elke twintig minuten met iemand anders een afspraak heeft. „Oh ik heb ‘polikliniek’ vandaag, zeg ik dan tegen mijn secretaresse”, lacht Levi. „Dan komen ze een voor een binnen. Altijd een heel verhaal en altijd een probleem. De eerste vijf minuten ga ik exploreren: wat is nu eigenlijk het probleem? En vervolgens ga je denken in termen van oorzaak, gevolg, wat is de diagnose, en de oplossing, wat zou de therapie kunnen zijn en hoe gaan we dat monitoren? Dat doe ik op de poli ook!” Veel vaardigheden die hij als bestuurder nodig heeft, zijn dezelfde die een dokter voor zijn patiënten nodig heeft. „En ze moeten wel weer weg na twintig minuten. Dus daar word je heel erg goed in. Met afsluitende zinnen en nietszeggende opdrachten en alvast naar de deur lopen.”

Als baas van het AMC zag hij het toezicht een metamorfose ondergaan. De eerste jaren sprak hij zijn voorzitter van de raad van toezicht als er wat was, maar ook vaak lange tijd niet. Nu heeft de raad ook intensief contact met de tweede managementlaag van het AMC, én met de medezeggenschapsraad én met de studentenraad én de cliëntenraad.

„Dat is een wereld van verschil. Dat zijn mensen die hier gewoon zijn, vele dagen per maand en die overal thermometers hebben zitten. Dat was vroeger echt niet zo. Toen waren dat bankiers, die kwamen hier, die kregen een koekje bij de koffie en een mooi verhaal. En mijn rol was om ervoor te zorgen dat ze zo snel mogelijk bij de uroloog of cardioloog kwamen als er wat was. Verder waren ze niet kritisch op mij, want ze hadden ook niet veel ideeën of het goed ging of niet goed ging. Dat is nu wel heel erg anders geworden. Gelukkig.”

Politieke ambities? Die ontkent hij niet. Hij is PvdA-lid, maar dat betekent nu niet meer dan dat hij eenmaal per maand een acceptgiro invult. „Het is nu niet aan de orde. Als ik over vier of vijf jaar uit Londen kom. Wie weet.”