Opinie

Bezing in gods naam de hoop

Kerst is het feest van de hoop en het feest van de familie. geeft een verklaring in de vorm van een kerstverhaal.
illustratie Marike Knaapen

Theo Stigter belt aan bij het nieuwe huis van zijn zoon Sander. Het is de tweede keer dat hij hier komt. Misschien is het wel de laatste keer. Iedere Kerst kan je laatste zijn. Dat is het meestal niet, maar het kan.

Hij kijkt naar de gele stenen, de kunststof kozijnen. Het is niet te geloven, dit huis, deze zielloze wijk. Hij had er veel voor over gehad als hij gewoon naar Den Gulden Swaen had kunnen gaan, met die mooie glazen erker.

De deur wordt opengedaan door Sanders nieuwe vriendin.

„Dag Sylvia”, zegt Theo. Ze heeft een groen schort voorgebonden. Een heel lelijke kleur groen. Soms zit de liefde vreemd verpakt.

„Sorry”, zegt Sylvia, „ik heb een natte hand. Kom gauw binnen. Ik dacht dat het Duco was.”

Duco? Wie is Duco? Het klinkt bekend, maar Theo’s hersenen werken traag deze winter.

De gang is veel te smal met die overvolle kapstok over de lengte van de muur. Sylvia moet haar zwangere buik tegen hem aan persen als ze haar hand strekt om de deur achter hem dicht te doen.

In de woonkamer is de tafel gedekt voor vier personen. Bastiaan is bij Sanders ex-vrouw. Sander had het al gezegd door de telefoon. Het kind was twee dagen bij hem geweest, maar vanochtend ging hij weer terug naar z’n moeder, zoals bloed altijd weer terugstroomt naar het hart.

Zijn bed staat bij het raam, leeg, opgemaakt, naast een grote opgetuigde boom met cadeaus eronder. Theo legt het zijne erbij en gaat alvast aan tafel zitten. Een stevige, robuuste tafel, nog uit het vorige huis.

Dat huis was behoorlijk verwaarloosd toen hij, Theo, het kocht, maar de gevel kon blijven staan. Daarachter had hij een prachtig appartement gemaakt. Oude stijl, maar met moderne gemakken, en een erker op het zuidwesten. Hij heeft er vaak gezeten, in die erker, als hij op zondagmiddag met Riet op bezoek kwam, en na haar dood in zijn eentje, spelend met Bastiaan, toen nog gezond en barstensvol leven. Ook Sander was er gelukkig. Tot zijn vrouw er vandoor ging. Ineens. Totaal onverwacht.

Zijn nieuwe vriendin weigerde in Den Gulden Swaen te komen wonen. Ze wilde opnieuw beginnen, zeker toen de ivf was gelukt. Sander had meteen toegegeven. Alsof zij dat allemaal waard is. Wat ziet Sander in haar? Ze is jong, ja. Dat gaat vanzelf over. Alles gaat over.

Sander schenkt vast champagne in. Hij ziet hoe zijn vader om zich heen kijkt, de muren beoordeelt met zijn ogen, de gipsplaten aan het plafond. Een oud gevoel van razernij steekt in hem op. Het is Kerst, moet hij tegen zichzelf zeggen. Bewaar de vrede. Al was het maar voor Sylvia.

Vroeger was Kerst een geheimzinnig feest met lichtjes en een wonderlijk verhaal over een baby’tje. Maar zodra je volwassen bent is het een dag waarop je elkaar gewoontegetrouw opzoekt en dingen geeft die je anders toch wel had gekocht. Je doet het voor de kinderen. Sander slikt. Wat had hij graag Bastiaan hier gehad. Als het joch komend jaar niet aan de beurt is voor een lever, is het zijn laatste Kerst.

In plaats van Bastiaan hebben ze vandaag Duco. Sylvia had hem gesmeekt het oké te vinden. Haar ouders zitten op Hawaï. „Vrienden heeft hij ook niet”, zei ze. „Vroeger al niet, maar sinds het incident al helemaal niet meer.”

Het incident. Altijd dat eeuwige incident.

„Hoe gaat het?”, vraagt hij Theo om maar iets te zeggen.

Zijn vader heeft het zwaar. Een golf van sloopdrift gaat door het land en de gebouwen van zijn vader worden niet gespaard. In januari is de Glazen Madonna aan de beurt, zijn meesterwerk. Zo werd het destijds ook genoemd in de kranten. Men vond het gedurfd. Als kind werd Sander er altijd mee naar toe genomen. Kijk, zei zijn vader dan. Dit gebouw leeft, het heeft een ziel. Die ziel wordt nu vermoord.

Het is het lot van een architect op leeftijd. Maar om eerlijk te zijn, denkt Sander, die Glazen Madonna was het niet, met die grote ovale ramen. Hippieramen. Een anachronisme. Rijp voor de sloop.

„Vannacht”, zegt Theo, „droomde ik dat ik het niet meer mee hoefde te maken.”

„O.” Misschien moet hij zijn vader zeggen dat het maar stenen zijn. Die heiligheid, daar kan Sander bar weinig mee. Voor hemzelf is een gebouw alleen maar een gebouw. Het gaat om de mensen. Huizen moeten praktisch zijn. Niemand woont graag in een aquarium.

„Je hoeft er niet met je neus bovenop te gaan staan”, zegt hij. „Als ze gaan afbreken, bedoel ik. Je hoeft jezelf niet te pijnigen.”

Theo doet zijn mond open om iets te zeggen, iets stekeligs, iets over projectontwikkelaars als hij, die nergens respect voor hebben. Sander kan dat zien aan zijn mond, aan de lijntjes ernaast. Maar op dat moment gaat de bel.

Duco is het broertje van Sylvia, Theo weet het weer. Een nakomertje. Hij is begin twintig en heel verlegen. Verlegen is misschien niet het woord. Hij ziet er geslagen uit. Alsof het leven, dat goed en mooi begonnen was, zich tot zijn ontzetting ineens tot iets lelijks heeft ontwikkeld, met een slechte afloop.

„Nu kunnen we aan tafel”, zegt Sylvia. Zelf gaat ze op de stoel naast Theo zitten. Sander en Duco aan de overkant. Theo vraagt zich af waar hij Duco van kent. Ze hebben elkaar nooit ontmoet. Toch heeft hij iets bekends. Hij zou het bijna willen vragen. Heb jij weleens meegedaan aan een of ander tv-programma?

„We hebben soep vooraf”, kondigt Sylvia aan. „Bastiaans idee.”

Het is tomatensoep, dik en donkerrood, als bloed. Ze doet Theo denken aan zijn droom.

„Zoals ik al zei, ik droomde vannacht over deze kerstdag.”

„O ja?” zegt Sander. „Ik dacht dat het ging over de sloop van de Madonna.”

„Ik droomde dat ik die niet meer hoef mee te maken. Dat zei ik.”

„Was het een leuke droom?” informeert Sylvia die blij lijkt met welk gespreksonderwerp dan ook.

„Niet speciaal leuk”, hoort hij zichzelf zeggen. Hij pakt het mes dat naast zijn bord ligt en kijkt Sander aan. „Jij stak dit mes in mijn hart.”

Sander knippert met zijn ogen. Sylvia giechelt nerveus. Duco zit er somber en onbewogen bij. Zulke dingen ziet hij zeker vaak genoeg op een computerscherm.

„Je deed het niet goed”, zegt Theo. „Je stak te laag, en aan de verkeerde kant. Je doorboorde mijn lever, die je nu juist had moeten sparen. Het bloed liep in straaltjes over de plavuizen.”

„Zo kan hij wel weer, pa”, zegt Sander.

Wat zal Duco wel niet van hem denken, denkt Sander. Een gek. Oud, depressief en volslagen getikt. Zoiets waarschijnlijk. Maar misschien oordeelt hij niet, weet hij van zichzelf dat hij ook niet helemaal spoort. Of nou ja, kan je dat zeggen als iemand maar één verkeerde zet heeft gedaan? Eén misser, wat betekent dat? Hij was nog een puber toen hij die hondendrol at, voor een weddenschap. Stoer doen voor kinderen die hem niet moesten. Hoe vaak komt zoiets niet voor? Het punt is dat zijn klasgenoten het met hun telefoons hadden gefilmd en op internet gezet. Daarom moest hij van school af. Maar op zijn nieuwe school ging het filmpje ook rond. Duco Dog Shit werd hij genoemd. Op het ROC idem dito. Een wonder dat die jongen nog een diploma heeft gehaald. En nu zijn het zijn collega’s die hem Duco Dog Shit noemen. Sander dwingt zichzelf aan iets anders te denken. De kip moet uit de oven!

Theo mag als eerste een stuk aanwijzen. Hij is erg goed gelukt, de gevulde boerderijkip. Duco vindt het zo te zien ook lekker. Hij eet met grote happen. Er zit een ontspannen trek op zijn gezicht, alsof hij eindelijk zijn ellende even vergeet.

Duco Dog Shit, flitst het door Theo heen. Ineens herkent hij de lippen. Sander had een filmpje van hem laten zien.

Langzaam dringen de beelden zich aan hem op: het bijten in de dikke rood-bruine drol, het niet kunnen doorslikken. Zijn kornuiten die roepen dat hij dan die twintig euro niet krijgt. En dan slikt hij toch.

Theo kokhalst. Met afgrijzen staart hij naar zijn bord. Hoe kan een mens eten met zo iemand tegenover zich?

„Waar staat die Glazen Madonna eigenlijk”, vraagt Sylvia na een lange stilte.

Bij het noemen van die naam schokt Theo op. Het is alsof hij de doffe dreunen van de sloopkogel al hoort, het gerinkel van glas. Een intens treurig gevoel bekruipt hem. Zijn leven lang is hij bezig geweest zijn naam te vestigen, mooie dingen te maken, stenen dingen die blijven, ook voor de toekomstige generaties. Kunst overleeft alles, zeggen ze.

Maar de wereld heeft hem vanachteren beslopen en ingehaald. Theo Stigter, wie zegt dat nog wat?

Neem daarentegen een hap hondenpoep, film het, en je naam is voorgoed gevestigd.

Hij kijkt naar Sander, die nog wat aardappeltjes opschept. Sander heeft andere keuzes gemaakt. Ondanks alles, ondanks alle tegenspoed, is Sander de familieman. Hij investeert in vlees en bloed, bijna tegen beter weten in. Zo hoopt hij voort te leven in het bewustzijn van in elk geval zijn nageslacht.

Theo weet niet zeker of zijn zoon zo denkt, hij vermoedt niet al te diepe gedachten op dat vlak, maar een kind betekent altijd hoop. Daarom is elk gezin zo dol op Kerst. Persoonlijke verwachtingen komen samen in die van de heilige familie. Met het eigen kroost in gedachten bezingt men de zoon die miljoenen eens zaligen zal.

Misschien weet je kind wél boven iedereen uit te stijgen. Meestal niet, maar het kan. Dat straalt dan ook op de ouders af. Nog steeds, na meer dan tweeduizend jaar, weten we allemaal wie Jozef en Maria zijn.

Het dessert is een mooie ronde cake met bessensaus. In Sylvia’s stuk blijkt een muntje te zitten. Ze is aan de beurt voor het geluk.

Franca Treur is schrijver.