Syriërs zien eindelijk Palmyra - in Deventer

Veel Syrische vluchtelingen hebben de stad Palmyra nog nooit gezien. Nu ze in Nederland zijn, kan dat onverwacht wel.

Beeld van het huidige Palmyra met een foto van hoe het was. Foto AFP / Joseph Eid

Als je in 1694 in Nederland woonde en Palmyra wilde zien, moest je naar Deventer. Nu, driehonderd jaar later, is dat weer zo.

Dus neemt Mohammed (19), drie jaar geleden gevlucht uit Syrië, een foto van zijn vader terwijl die voor het schilderij Gezicht op Palmyra staat. Mohammed is nooit in Palmyra geweest, zijn vader ook niet. Maar, zegt hij, als hij had geweten dat hij zijn land zou ontvluchten, „dan was ik naar veel meer plekken gegaan om ze te bekijken”.

Het is een koude decemberochtend. En zoals vaker sinds de tentoonstelling Palmyra, stad van Duizend Zuilen in Deventer opende, wordt die bezocht door Syrische vluchtelingen. Het kleine museum bracht er onder de kop ‘Grote belangstelling Syrische vluchtelingen voor Palmyra-tentoonstelling’ vorige week een persbericht over uit: „In de eerste maand na de opening bezochten 2.500 mensen de tentoonstelling en zijn er meer dan 270 gratis kaarten weggegeven aan Syrische vluchtelingen.”

Wat zij zien? Een panoramisch schilderij van vier meter lang, indertijd door de burgemeester van Deventer, Gisbert Cuper, besteld bij de Nederlandse consul in Aleppo. Burgemeester Cuper (Deventer viert dit jaar zijn driehonderdste sterfdag, vandaar de tentoonstelling) was ook wetenschapper, met een passie voor archeologie en etnografie. Het schilderij hing in de gang van zijn huis.

Het kunstwerk ‘Gezicht op Palmyra’. Foto AFP, Beeld Museum de Waag

Het was, in 1694, de eerste keer dat het Westen kennis maakte met de antieke handelsstad Palmyra. Te zien zijn onder meer de tempel van Bel, in 2015 verwoest door IS, en de Grote Colonnade, een rij zuilen langs wat ooit de hoofdstraat was. Het Romeinse amfitheater, waar IS tegenstanders onthoofdde en waar deze zomer, nadat de stad was heroverd, de Russische dirigent Gergiev nog een concert gaf, staat er niet op. Het Arabische Fort, in de verte, weer wel.

Opnieuw veroverd door IS

Twee weken geleden, op 10 december, werd Palmyra opnieuw veroverd door IS. Kunsttijdschrift The Art Newspaper is er niet gerust op, het noemde de herovering „een zwarte nachtmerrie”. Dat was een citaat van Maamoun Abdulkarim, directeur van de oudheidkundige dienst in Palmyra. Hij is de opvolger van Khaled al-Asaad, die de functie bijna een halve eeuw bekleedde – en die op 18 augustus 2015 door IS werd onthoofd. Wel is de collectie van het Palmyra Museum intussen grotendeels overgebracht naar Damascus.

Damascus, zegt Mohammed, was ook de woonplaats van hun gezin: „Een drukke stad, anders dan hier.” Hij zat er op de middelbare school („ik was zestien”) toen het Vrije Syrische Leger jongens begon te rekruteren. „Jongens van mijn leeftijd tot ongeveer dertig jaar.” Hij vluchtte. Een jaar later vluchtten ook zijn moeder en zijn broer, en nog later, vorig jaar, zijn vader. Ze zijn nu allemaal in Nederland.

Mohammed zit op school in Deventer – „vwo, ik moet nog één jaar” – dus hij is bekend met de stad. Het is voor zijn vader („dan kan ik hem vertellen wat ze zeggen”) dat hij meeloopt met de stadswandeling die de vluchtelingen, een stuk of tien mannen en vrouwen, deze morgen maken voordat ze naar de tentoonstelling gaan.

De wandeling is onderdeel van de ondertekening van de participatieverklaring, later vanmiddag, en wordt verzorgd door Vluchtelingenwerk Deventer en de culturele organisatie Deventer Verhaal. Hij voert door nauwe straatjes en over pleintjes en gaat over hanzesteden, reformatie en de invoering van het metrisch stelsel, met zo nu en dan extra aandacht voor de gevolgen van oorlog, ook hier: een weggebombardeerd huis, een brug waaronder tegen die bombardementen werd geschuild. Mohammeds vader wijst naar een oude, zwaar vervallen muur. „Dát lijkt op oorlog”, zegt hij.

Geen beroemd schilderij

Gezicht op Palmyra, met de klassieke ruïnes nog intact, is nooit een beroemd schilderij geworden, hooguit was het bekend onder kenners. Na Cupers dood, in 1716, ging het naar Amsterdam, waar het uiteindelijk terechtkwam in de archeologische collectie van het Allard Pierson Museum.

Ook in die relatieve onbekendheid zou je een parallel met het heden kunnen zien. Wanneer de rondleider op de tentoonstelling vraagt wie van de aanwezige Syriërs ooit „de antieke handelsstad Palmyra” heeft bezocht, zijn dat er maar drie van de tien. „Palmyra was voor Syriërs niet zo’n belangrijke attractie”, zegt Mohammed. „Er gingen vooral buitenlandse toeristen naartoe.”

De tolk, die er wel is geweest, zegt het zo:

„Syrië heeft veel bezetters gehad, Palmyra was Romeins. Dat spreekt minder aan dan bijvoorbeeld de oudste moskee van het land.”

Palmyra was pre-islamitisch, wil hij maar zeggen. En, schreef Midden-Oostendeskundige Carolien Roelants onlangs in deze krant, „bovendien een propagandaspeeltje van Assads seculiere regime”, die er een toeristentrekker van wist te maken.

Waarom de vluchtelingen toch, staand voor het schilderij, foto’s nemen van een plek die ze niet kennen? „Voor de herinnering”, zegt Mohammed. En omdat, vertaalt hij de woorden van zijn vader, „wij hopen dat we jullie daar weer kunnen ontvangen, zoals jullie ons nu ontvangen.”

Palmyra, Stad van Duizend Zuilen in Deventer, Museum De Waag. Nog te zien t/m 12/2.