Ik verlaat Turkije treurig en met een half verdoofde kaak

Afscheid van Turkije Correspondent Marloes de Koning verlaat deze maand na drie jaar haar standplaats Istanbul. Ze begon optimistisch: na jaren op de Balkan ging ze naar een energiek land met fikse economische groei. Nu worstelt ze om de haat van de Turken op afstand te houden.

Een vrouw zwaait met de Turkse vlag en een vlag voor een vrij Syrië terwijl een hulpkonvooi aanstalte maakt om vanuit Istanbul naar Aleppo te vertrekken. Foto Ozan Kose/AFP

Bij de tandarts ben ik blij dat ik niets terug kan zeggen. Zeynep vult een gaatje en is verontwaardigd over Koerdische vrouwen op tv die stenen gooiden toen de illegaal gebouwde flat waarin ze al dertig jaar woonden werd afgebroken. Een ‘barbaars’ protest tegen wetshandhaving vindt ze. En typerend voor de etnische minderheid.

Als ik mag spoelen en spugen vraagt ze: „Geef toe, jij zou toch ook geen Koerdische buren willen?” Misschien heb ik wel Koerdische buren, antwoord ik. Ik heb het ze nooit gevraagd omdat het me niet uitmaakt. „Nee, niet zulke. Ik bedoel van die stenen gooiende Koerden.”

Bij het polijsten legt ze me uit dat president Erdogan van Turkije eigenlijk een Griek is. En Turken zijn andere moslims dan Arabieren, op wie ze neerkijkt. „Dat soort dingen moet je weten als je hier correspondent bent.” Ik verlaat de praktijk met een half verdoofde kaak en een treurig gevoel.

Lees hier de vijf favoriete stukken van Marloes de Koning uit haar tijd als correspondent Turkije en Griekenland.

Ik was optimistisch

Het land waar ik drie jaar geleden heen verhuisde is in de greep van vooroordelen en wantrouwen. Van de seculiere elite jegens het nadrukkelijk religieuze landsbestuur dat de sharia zou willen invoeren. Van etnische Turken jegens Koerden en vice versa. Over Armeniërs die de Koerdische PKK-guerrilla zouden steunen (het bewijs: een gedode terrorist bleek besneden) en over gülenisten, Europeanen, Russen en Amerikanen. Niemand wordt vertrouwd.

Drie jaar geleden zat dat wantrouwen minder aan de oppervlakte. Er was een begin van gesprekken over een oplossing voor de Koerdische kwestie met z’n gewelddadige strijd voor erkenning van de rechten van deze grote minderheid. De PKK had de wapens neergelegd. Turkije liet ruimhartig Syrische vluchtelingen binnen. In Irak was het rustig.

Ik was optimistisch. Na jaren op de vergrijzende Balkan en in de Griekse crisis had ik gekozen voor een land met een jonge bevolking en een groeiende economie. Dé plek waar werd bewezen dat islam en democratie samengaan. Het neerslaan van de Gezi-protesten in de zomer van 2013 was zorgelijk, maar ik zag een lichtpuntje: Turkije had geëngageerde jonge mensen die de straat op durfden.

De politieke partij HDP, voortgekomen uit de Koerdische politieke beweging, organiseerde bijeenkomsten in hartje Istanbul. Ik nam mijn zoontje mee als ik nieuwsgierig ging kijken. Mijn grootste zorg was dat het kabaal uit de luidsprekers zijn oren zou beschadigen. Als mijn Armeens-Turkse vertaalster zat te somberen, wees ik haar op de enorme vooruitgang die Turkije in tien jaar had geboekt.

Daar ben ik mee gestopt, want ik moet wel menen wat ik zeg. Een paar maanden geleden vroeg ze me haar voortaan in euro’s in plaats van lira’s te betalen. Ze legt een potje aan voor nood en denkt na over scenario’s om naar het buitenland uit te wijken. Mét haar ouders. Voor hen loopt voor het eerst sinds de jaren tachtig een aanvraag voor een paspoort. „Voorlopig blijf ik”, is haar vaders commentaar tijdens een lunch bij hen thuis.

Ingetogen borrel

Sinds een dubbele aanslag op een vredesbetoging met veel Koerden waarbij 103 mensen omkwamen en een kleinere zelfmoordaanslag tussen ons huis en de crèche laat ik mijn zoon liever thuis. De avond voor mijn afscheidsfeestje kwamen dichtbij huis 46 mensen om bij een aanslag. Het werd een ingetogen borrel op een dag van nationale rouw. Collega’s maken cynische grappen over de kans dat hun persaccreditatie in december niet wordt vernieuwd en ze binnenkort dus ook vertrekken. Een aantal van hen wordt bedreigd op Twitter.

Buitenlanders krijgen overal de schuld van.

De stemming is sinds de verkiezingen van juni 2015 bedrukter geworden. Achteraf werd in deze periode hoop verruild voor angst. Een bevriende fotograaf wil via haar oma aan de Roemeense nationaliteit komen. Ik probeer erachter te komen welke doemscenario’s ze voor ogen heeft. Ze komen neer op leven onder een vijandig gezinde meerderheid. „Er zijn steeds minder plekken met ons soort mensen”, zegt zij, single van eind twintig. Ze woont in een linkse studentenwijk waar alcohol geen probleem is en jongens en meisjes elkaar op straat kunnen zoenen zonder commentaar te krijgen.

Ik vind de vele verschillen mooi. Het maakt Turkije dynamisch en rijk. Advertenties voor licht-erotische pulpromans hangen in de metro naast die voor theologische lectuur. Hét politiek-correcte cliché is het land een ‘mozaïek’ te noemen. Maar als je mensen die anders zijn niet vertrouwt, is dat een probleem.

Lees ook de prachtige longread die Marloes de Koning schreef over de eeuwige straatvechter Erdogan

Achterdocht en haat

In de week dat ik dit schrijf voorspelt de minister van Bosbouw dat Fethullah Gülen in de VS zal sterven en ‘op een Joodse begraafplaats begraven’. Een adviseur van Erdogan zegt op tv dat buitenlandse tv-koks die in Turkije zoeken naar recepten spionnen zijn met een andere agenda. Erdogan zelf verklaart de Amerikaanse dollar de oorlog. De lage koers van de lira komt namelijk door een (Amerikaanse) samenzwering. Aanhangers van de president hebben op straat dollars verbrand. De vraag is nog of die echt waren.

De achterdocht en haat hebben nieuwe pieken bereikt sinds 15 juli 2016, de dag van de verhinderde staatsgreep. Het vijfdecolonne-denken floreert tot bij gematigde mensen. „Het maakt me niet uit dat ze nu de gülenisten pakken”, zegt een vriendin.

„Ze fraudeerden met de examens. Ik moest hard werken om naar een goede universiteit te kunnen en zij speelden elkaar de vragen door.”

Ze geeft grif toe dat nu onschuldige mensen worden opgepakt en ontslagen. Haar medicijn tegen depressie is tango, yoga en zo min mogelijk het nieuws volgen.

’s Ochtends haal ik diep adem voor ik me op de Turkse media stort. Turkse collega’s zijn kwistig met woorden als ‘verrader’. Net als in speeches van politici tegenstanders steevast ‘terrorist’ heten. In de koppen draait alles om vriend of vijand. Buitenlanders zitten inmiddels duidelijk in de tweede categorie. Eind oktober worden uit voorzorg familieleden van Amerikaanse diplomaten geëvacueerd. 19 december schiet een Turkse politieman de Russische ambassadeur dood.

Een agent in burger die me aanhoudt als ik op de openbare weg film verontschuldigt zich na anderhalf uur.

„Als ik niet tegen jullie optreed denken ze straks nog dat ík fetö (de Turkse afkorting voor Fethullah Gülen Terreurorganisatie) ben.”

Eind september vertelt een taxichauffeur me ongevraagd dat zijn zwager zes dagen geleden is opgepakt omdat hij een hoge gülenist zou zijn. „De hele familie wist het. Hij bleef Gülen maar verdedigen. We spuugden hem uit.” Zijn ze niet bezorgd door berichten over martelingen in de gevangenis? „Geen idee. Van mij mogen ze hem ophangen, die verrader.”

Firma voor een prikkie

Geschiedenisboeken komen tot leven. Opeens lijken aanvallen op minderheden, zoals de Grieken in de jaren vijftig, niet zo lang geleden. Tal van nu grote Turkse conglomeraten profiteerden van het verjagen van de zakelijk succesvolle Griekse minderheid. Voor niets of een prikkie namen ze hun firma’s over. Wie azen nu op de door de staat geconfisqueerde ondernemingen van vermeende gülenisten? Er is geen gemakkelijker manier om een concurrent of wanbetaler te schaden dan de beschuldiging ‘fetö’ te zijn.

Het probleem met wantrouwen is dat het besmettelijk is. Het virus nestelt zich in me sinds ik in 2005 naar Belgrado in Servië verhuisde, een getraumatiseerd land waar mensen door schade en schande hebben geleerd hooguit naasten te vertrouwen. Politici, pers en andere machthebbers zijn er niet meer dan meest maffiose marionetten. Alles kan worden verklaard door naar geopolitiek en de Amerikanen te verwijzen, waarna duidelijk is dat je het als individu net zo goed op een zuipen kunt zetten, want je bent toch machteloos.

Thuis noemen we dit het ‘Balkangif’. Het manifesteert zich als stemmetje in het achterhoofd dat roept: het is niet wat je ziet! Zie ik een nieuwe brug of opgeknapte speeltuin, dan denk ik ‘er staan zeker verkiezingen voor de deur’. Als onze favoriete koffie uit de supermarkt weg is, denken we dat de importeur een gülen-stempel heeft gekregen en in de ban is.

Landsgrenzen betekenen hier voor veel mensen minder dan religieuze of etnische banden. Het verraderlijke is dat die verklaringen al snel een etnische en religieuze component krijgen. Des te meer nu de oorlogen in buurlanden Irak en Syrië Turkije langzaam mee omlaag zuigen.

Als de Turkse regering het opneemt voor de Turkmeense minderheid in Syrië of Irak denk ik al snel dat ze dat doen om Koerdische milities dwars te zitten. Denken als een local betekent overal iets achter zoeken. ‘Dat zegt hij omdat hij een soenniet is en de Iraniërs shiieten’. ‘Dat zegt hij omdat hij een linkse Koerd is’.

Straaljagers boven zee

Ik ben opgegroeid met vertrouwen in de overheid. Wie wond zich eind november op toen Nederland en België een paar lapjes land in de Maas uitruilden bij een grenscorrectie? Griekenland en Turkije beloeren elkaar boven de Egeïsche Zee vanuit straaljagers.

Omdat ik het Centraal Bureau voor de Statistiek vertrouw, ben ik geneigd ook Eurostat te vertrouwen. Dat geldt niet voor de meeste Grieken die ik heb gesproken sinds het begin van de crisis in dat land in 2009. Die begon met door Griekse politici gemanipuleerde statistieken. De grootste verandering is volgens veel Grieken dat ze nu worden gemanipuleerd door het IMF en de EU.

Een beetje wantrouwen is goed, en voor een journalist noodzakelijk. Zonder een gezonde dosis achterdocht en kritische vragen geen verhaal. Maar je kunt ook overal wat achter gaan zoeken. En dan is niets meer wat het lijkt en geen bron meer te vertrouwen.

Dat probleem is in Turkije acuut. Personen en organisaties worden en masse beschuldigd van betrokkenheid bij terreur. De afgelopen maanden zijn honderden ngo’s gesloten. Schrijvers, advocaten, academici en activisten zitten vast. Net als een flink aantal democratisch gekozen oppositiepolitici.

Tekst gaat verder onder de foto:

Mensen kijken vanuit hun flatgebouw in Istanbul naar de begrafenisstoet voor de Turkse soldaat Fehmi Barcin, die een dag eerder werd gedood bij een aanslag in Kayseri. Foto Ozan Kose/AFP

Het is een belangrijk onderwerp, maar wel steeds lastiger om over te berichten, omdat steeds meer mensen achter de tralies verdwijnen en dus onbereikbaar zijn, of uitwijken naar het buitenland. De achterblijvers denken wel drie keer na voor ze zich herkenbaar laten opvoeren. Ik wil mensen ook niet in gevaar brengen. Correspondenten onderling overleggen geregeld over de veiligste manier van digitaal communiceren. We moedigen elkaar aan oude chats daarover te wissen. Collega’s die hun Whatsapp niet op ‘encrypted’ hebben staan mogen niet bij de groepjes.

Diezelfde ngo’s, advocaten en collega’s zijn ook bronnen. Net als de Turkse overheid. Als ik iedereen wantrouw blijft er in Turkije bijna niemand meer over. Zo wil ik niet zijn en zo kan ik niet werken.

Vage verdenkingen

Recent wilde ik een verhaal maken over kindbruiden. Meisjes worden nog altijd op grote schaal uitgehuwelijkt. Imams werken mee aan islamitische huwelijken tussen kinderen. Dat komt vaak aan het licht als jonge meisjes bevallen en artsen daar melding van maken.

Omdat het om verboden praktijken gaat die vooral voorkomen in conservatieve gemeenschappen op het platteland, is het moeilijk kindbruiden te vinden om mee te praten. Een van de beste ingangen leek me een hulporganisatie die een opvanghuis runt voor voormalige kindbruiden.

Het kost moeite de initiatiefneemster te bereiken. Als ik haar uiteindelijk spreek blijkt waarom. Haar stichting is een van de honderden die op last van het openbaar ministerie en met een vage verdenking van ‘relatie met terreur’ is gesloten. Ze tast in het duister over waarom. „Omdat we Koerden zijn?” Ze is vriendelijk, maar kent mij ook niet en wil liever even geen media-aandacht, want dat heeft nu meestal negatieve effecten. De zoektocht loopt dood.

Ook Europa wordt steeds meer als vijand gezien door de reacties op de negatieve ontwikkelingen. Het Europees parlement protesteert tegen de massa-arrestaties en het knevelen van de pers. Het Nederlandse kabinet zet zich op aandringen van de Tweede Kamer binnen de EU in voor het opschorten van de financiële steun die Turkije moet helpen bij hervormingen voor EU-toetreding. Op Turkije afgeven is een manier geworden om te scoren voor eigen publiek.

De EU komt in Turkije over als een arrogante club die alleen de hand uitsteekt als de Turken ergens voor nodig zijn. Niet in moeilijke tijden, zoals die waar Turkije evident in zit.

De enige groep die me soms verrast met hun gebrek aan cynisme en wantrouwen, zijn de Syriërs in Turkije. Over de internationale bemoeienis met hun land en het gebrek aan ingrijpen geen goed woord. Maar vraag ze naar Turkije en het beeld is een stuk genuanceerder.

Afgelopen vrijdag nam ik afscheid van Lina, een 32-jarige grafisch ontwerpster uit Homs. Ze heeft blij nieuws. Ze zit bij de eerste groep Syriërs die gebruik kan maken van de mogelijkheid om een Turks paspoort te krijgen. „Het betekent niet dat ik niet terug wil”, haast ze zich te zeggen. „Ooit drinken we Syrische koffie in Homs”. Daar willen we op vertrouwen.

Dit is het afscheidsartikel van Marloes de Koning als correspondent in Turkije. Zij keert terug naar de redactie in Amsterdam. Midden-Oostenredacteur Toon Beemsterboer neemt vanaf januari haar plek in Istanbul over.