Is er steun voor een vuurwerkverbod?

Terwijl oogartsen voor zijn, is er in de Kamer geen meerderheid. De burger lijkt er vrede mee te kunnen hebben.

Vuurwerkshow op de Erasmusburg in Rotterdam. Foto Robin Utrecht / ANP

De afgelopen jaren is vanuit meerdere hoeken gepleit voor een nationaal verbod op consumentenvuurwerk. Voorstanders vinden de overlast en het menselijk leed te groot. Tegenstanders zijn van mening dat mensen het recht hebben om (op verantwoorde wijze) vuurwerk af te steken. Ook stellen sommigen dat een vuurwerkverbod niet de juiste oplossing is voor de problemen die zich rond Oud en Nieuw voordoen.

Wie zijn er nu voor en tegen een nationaal verbod? En wat zijn hun belangrijkste argumenten?

Oogartsen

In de medische wereld is de steun voor verbieden breed. Logisch, aangezien met name oogartsen degenen zijn die jaarlijks geconfronteerd worden met de schadelijke gevolgen en het menselijk leed dat vuurwerk veroorzaakt.

In 2009 sprak het Nederlands Oogheelkundig Gezelschap zich uit tegen consumentenvuurwerk. De organisatie kreeg bijval van onder meer het Oogziekenhuis Rotterdam, waar jaarlijks vele slachtoffers worden behandeld. Het schrijft op zijn website:

Het Oogziekenhuis betreurt het oogheelkundig letsel waarmee wij jaarlijks rond de jaarwisseling geconfronteerd worden. Het Oogziekenhuis is van mening dat deze oogletsels zullen verdwijnen wanneer een verbod op consumentenvuurwerk wordt ingesteld.

In april 2014 volgde er een manifest waarin gepleit wordt voor een “algeheel vuurwerkverbod voor consumenten”. Dat werd ondertekend door acht organisaties, te weten:

  • Het Oogziekenhuis Rotterdam (en Het Oogzorgnetwerk)
  • Het Nederlands Oogheelkundig Gezelschap
  • Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland
  • VISION 2020 Netherlands
  • Optometristen Vereniging Nederland
  • Nederlandse Vereniging van Orthoptisten
  • Koninklijke Visio
  • Stichting Aangepast Lezen

Aan mensen die toch vuurwerk gaan afsteken, raadt het Oogziekenhuis het dragen van een vuurwerkbril aan. Sinds de jaarwisseling van 2008 belandden er jaarlijks tussen de 160 en 307 mensen in het Oogziekenhuis na een ongeluk met vuurwerk. Van hen hield 31 tot 41 procent blijvend letsel.

Opiniepeilingen

De afgelopen jaren zijn meerdere opiniepeilingen gedaan naar hoe populair een vuurwerkverbod onder Nederlanders is. Zo deed het EenVandaag Opiniepanel in 2014 en 2015 navraag bij ruim 50.000 mensen. Daarnaast hield I&O Research eerder deze maand een steekproef onder ruim 2.500 mensen. TNS NIPO ondervroeg in het voorjaar van 2016 ruim duizend respondenten, maar deed dat kwantitatief én kwalitatief.

Voor een totaalverbod op vuurwerk is geen meerderheid. Dat ligt anders bij een verbod op consumentenvuurwerk: bij twee van de drie peilers was meer dan de helft hiervoor, mits de gemeente een vuurwerkshow organiseert. Bij I&O Research was dit “slechts” 48 procent.

Politiek

In de Tweede Kamer is er geen meerderheid voor een landelijk vuurwerkverbod. Beide coalitiepartijen vinden het illegaal maken van consumentenvuurwerk niet de oplossing. VVD-Kamerlid Ockje Tellegen zei eerder tegenover de NOS dat het probleem niet het vuurwerk zelf is, maar de manier waarop dat afgestoken wordt. Tellegen:

“Op die manier kun je net zo goed de bouwbranche vertellen dat je met een hamer ook iemand op zijn hoofd kan slaan. Dat heet eigen verantwoordelijkheid. Daar staat de VVD voor.”

Minister Jet Bussemaker (Cultuur, PvdA) zei een jaar geleden bij WNL op Zondag:

“Ik zou het niet willen verbieden. Je moet dit met elkaar bespreken en je moet niet van bovenaf zeggen: we doen het helemaal niet meer.”

PvdA-Kamerlid Ahmed Marcouch erkent in een gesprek met NRC dat consumentenvuurwerk voor grote problemen en overlast zorgt, maar stelt dat verbieden niet de oplossing is:

“De problemen worden veroorzaakt door gedrag van een kleine groep mensen die het verpesten voor de rest, vaak lui die onder invloed van alcohol en drugs zijn. Als je vuurwerk verbiedt, gaan zij het ergens halen en zullen de problemen zich blijven voordoen.”

Wel pleit Marcouch voor betere voorlichting en voor het strenger handhaven van verboden op illegaal vuurwerk, het liefst in Europees verband. Ook denkt hij dat het actiever betrekken van mensen bij het organiseren van feesten rondom Oud en Nieuw de overlast kan indammen.

Alleen de SGP, GroenLinks en de Partij voor de Dieren (samen goed voor negen zetels) hebben in het verleden kritiek geuit op consumentenvuurwerk en gezinspeeld op een verbod.

De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) testte eerder vandaag ruim 250 partijen consumentenvuurwerk, waarvan een kwart niet aan de veiligheidseisen bleek te voldoen. De afgelopen jaren lag het afkeuringspercentage steeds tussen de 20 en 25 procent. Redenen om het vuurwerk af te keuren waren “omdat het bijvoorbeeld omvalt terwijl het afgaat, meer geluid maakt dan mag of zich verspreidt onder de vereiste drie meter hoogte”.

Juridisch

Mocht er gepleit worden voor een landelijk verbod op consumentenvuurwerk, is dat een zaak voor het bestuursrecht. Dat zegt Folkert Jensma, juridisch commentator voor NRC. “Het is geen mensenrecht om vuurwerk af te steken en het valt ook niet onder de vrijheid van meningsuiting”, aldus Jensma. “De samenleving kan daar beperkingen aan opleggen.”

Als het zover komt, zal een verbod niet in één keer doorgevoerd worden. Jensma: “De rechter zal stellen dat dit geleidelijk moet worden ingevoerd, om rekening te houden met mensen die in vuurwerk handelen en om hen zo niet te grote economische schade te berokkenen.”

Gemeenten mogen ervoor kiezen om een vuurwerkverbod in een bepaald gebied in te stellen. Vorige week bepaalde de Raad van State dat de gemeente Hilversum zo’n zone in het stadscentrum mag inrichten. De uitspraak werd gedaan in een beroepszaak die vuurwerkhandelaar Johan Witbaard had aangespannen.

De uitspraak heeft nationale gevolgen. Colleges van B&W in andere gemeenten zijn nu bevoegd om vuurwerkvrije zones aan te wijzen. Tegen uitspraken van de Raad van State kan geen beroep worden aangetekend.

De vuurwerkvrije zone is de afgelopen jaren populairder geworden. Drie jaar geleden hadden slechts twintig Nederlandse gemeenten zo’n gebied ingesteld. Inmiddels zijn dat jaarlijks circa zestig gemeenten. Meestal worden die zones rondom verzorgingshuizen of kinderboerderijen ingesteld.