Wie was Jezus van Nazaret?

Geschiedenis Oudheidkundigen proberen al zo’n twee eeuwen leven en leer in kaart te brengen van Jezus, de ‘timmerman-messias’. Hij was een jood. Maar wat voor een, en in wat voor tijd?

De aanbidding van Jezus door de herders. Olieverfschilderij door Gerard van Honthorst, (Utrecht, 1622)

Het is een gemeenplaats dat Jezus tweeduizend jaar geleden leefde, in een andere wereld dan de onze. Die gemeenplaats heeft echter vérstrekkende gevolgen: de Bijbelverhalen veronderstellen een antiek wereldbeeld. Het bovennatuurlijke was destijds nabij: overal loerden kwade geesten, een wijze bewees zijn inzicht door de natuurwetten naar zijn hand te zetten, gebeden waren een weg naar genezing.

Een moderne lezer kan met de antieke verhalen, zo vol wonderen, omgaan op ruwweg drie manieren. Sommige gelovigen besluiten ze letterlijk te nemen en accepteren dat Jezus geesten uitdreef, water veranderde in wijn en opstond uit de dood. Menigeen zal dit te goedgelovig vinden. Bovendien: wie de Bijbel letterlijk neemt, moet uitleggen waarom hij die teksten zo’n speciale status geeft, terwijl de hoofdpersoon zich zo evident heeft vergist. Het door Jezus aangekondigde einde der tijden is immers uitgebleven.

Je kunt ook het omgekeerde doen en concluderen dat de wonderverhalen voldoende zijn om de Bijbel te diskwalificeren als serieuze bron van informatie over het ontstaan van het christendom. Maar die scepticus moet de vraag beantwoorden hoe het christendom dan is ontstaan.

Het derde en meest gangbare standpunt is dat je accepteert dat het wereldbeeld destijds anders was en de extremen van goedgelovigheid en scepsis vermijdt. Vanaf de negentiende eeuw proberen oudheidkundigen zo feit en fictie te scheiden. Dat gaat met vallen en opstaan. Zo is het verleidelijk voor onderzoekers om alleen de informatie te accepteren die hun aanstaat en te negeren wat niet uitkomt. Om deze subjectiviteit te overwinnen, zijn de betrokkenen strikt-gedefinieerde criteria gaan gebruiken.

We zullen desondanks nooit in staat zijn waarheid en verdichting perfect te scheiden. Dat kan bij studie van de Oudheid nooit: we hebben over dat tijdperk altijd te weinig informatie. We kunnen wel proberen de waarheid te benaderen.

De spottende ‘Alexamenos graffito’, met een gekruisigde ezel en de tekst ‘Alexamenos vereert zijn god’, (Rome, ca. 200 n. Chr.) is mogelijk de oudste afbeelding van Jezus’ kruisiging
Fresco van bloedende vrouw die Jezus’ zoom aanraakt ter genezing (Rome, ca. 300 na. Chr.)
Jezus als heerser over alles: Christos Pantakrator (zesde eeuws Byzantijns mozaïek, Ravenna)
Jezus als heerser over alles: Christos Pantakrator (Zesde-eeuws Byzantijns mozaïek in Hagia Sophia, Istanbul).

We gaan dus terug naar het Romeinse Rijk, geregeerd door keizer Augustus, die een einde had gemaakt aan een reeks burgeroorlogen en de scepter zwaaide over de hele wereld van de Atlantische Oceaan tot de Eufraat. De handel bloeide en achtergebleven gebieden als het land van Israël beleefden een ongekende economische groei, waar niet iedereen evenveel van profiteerde. Menigeen meende dat dit een speciaal tijdgewricht was.

Jezus is dan vermoedelijk geboren in 5 of 4 v.Chr. en was vrijwel zeker een leerling van Johannes de Doper, van wie hij het idee overnam dat het einde der tijden nabij was. In de wereld die zou komen regeerde God de wereld zelf, zouden de laatsten de eersten zijn en waren de eersten (zoals de hogepriester en de Romeinse gouverneur) de laatsten. Die boodschap moest wel leiden tot zijn executie (rond het jaar 30), zeker nadat hij op het plein bij de tempel de orde had verstoord.

Dit zijn geen spectaculaire conclusies, maar ze zijn zo zeker als met de huidige methoden haalbaar is. We kunnen feit en fictie verder scheiden en proberen Jezus wat preciezer te plaatsen in het religieuze landschap van zijn tijd.

Fictie: Geboren in Betlehem

Het oudste evangelie, dat is vernoemd naar een verder onbekende Marcus, bevat geen aanduiding van Jezus’ geboorteplaats. De evangelisten Matteüs en Lukas (over wie we evenmin iets weten) wilden hun lezers toch iets meer vertellen en noemen allebei de geboorteplaats Betlehem, even ten zuiden van Jeruzalem. Helaas spreken de twee auteurs elkaar op zo’n beetje elk punt tegen.

Volgens Lukas, wiens geboorteverhaal het bekendste is, woonden Jezus’ ouders in Nazaret (in het noorden van het land van Israël) en was een Romeinse volkstelling de aanleiding voor de reis naar Betlehem. In het evangelie van Matteüs woonden de ouders echter altijd al in Betlehem en verhuisden ze na Jezus’ geboorte naar Nazaret. Een andere opvallende tegenspraak: bij Lukas komen herders op kraamvisite, bij Matteüs oosterse wijzen.

Dit alles wekt weinig vertrouwen in de historische betrouwbaarheid. Zelfs het enige punt waar de geboorteverhalen overeenstemmen, dat Jezus werd geboren in Betlehem, is verdacht: het is de plaats waarvan de profeet Micha ooit had voorspeld dat er een afstammeling van koning David zou worden geboren die Israël zou herstellen. Het lijkt er op dat Lukas en Matteüs, omdat de messias uit Betlehem diende te komen maar Jezus was geboren in Nazaret, verschillende manieren hebben verzonnen om hem toch ter wereld te laten komen waar dit behoorde.

Fictie dus, maar daarom nog niet verwaarloosbaar. Lang niet alle joden hielden namelijk rekening met de komst van de messias: ze hadden immers een Verbond met God, dus waarom zou er behoefte zijn aan herstel van Israël? Jezus en zijn volgelingen zagen dat anders: levend op het verarmde platteland rond welvarende Romeinse steden, hadden zij het idee dat het Verbond beschadigd was geraakt en door een messias moest worden gerestaureerd. In het religieuze landschap van zijn tijd stond Jezus ergens tussen deze gemarginaliseerden.

Feit 1: Aankondiger van het Koninkrijk

Dat in Jezus’ leer de aankondiging van het Koninkrijk Gods centraal stond, weten we uit diverse bronnen, die bovendien betrekking hebben op zowel Jezus’ eigen leven als op dat van zijn volgelingen, terwijl het denkbeeld daarvóór valt te vinden in de Dode Zee-rollen (die tot ongeveer 200 v. Chr. teruggaan). Dat de naderende Eindtijd voor Jezus belangrijk was, zal ook niet snel zijn verzonnen door de evangelisten, die schreven op een moment waarop de vraag al werd gesteld waarom dat einde der tijden zo lang op zich liet wachten. Anders gezegd: dat dit de kern van Jezus’ leer was, valt te onderbouwen met het gêne-criterium, het continuïteitscriterium en het criterium van de meervoudige attestatie (zie kader).

Deze boodschap werpt licht op verschillende aspecten van Jezus’ optreden, zoals de genezingen, waarover de evangelisten niet uitgesproken raken. Voor de toenmalige toehoorders bewezen die genezingen – wat daarvan de empirische realiteit ook moge zijn geweest – dat Jezus een geloofwaardige profeet was.

Concreet lijkt Jezus een omkering van de wereld te hebben verwacht. Vrij letterlijk: de vernietiging van Sodom en Gomorra, zou hij hebben gezegd, viel in het niet bij de calamiteiten die de wereld te wachten stonden. En ook figuurlijk: dat de laatsten de eersten zouden zijn en de eersten de laatsten, was geen zoetsappig egalitarisme maar een utopie vol ressentiment. De rijken hadden hun beloning al gehad en zouden worden gestraft. Opnieuw zien we dat Jezus in het religieuze landschap van zijn tijd stond tussen de gemarginaliseerden.

Jezus draagt zijn kruis, olieverfschilderij door El Greco (Toledo ca. 1600)
De aanbidding van Jezus door de herders. Olieverfschilderij door Gerard van Honthorst, (Utrecht, 1622)
Jezus in de woestijn in de film The Last Temptation of Christ (regie: Martin Scorsese, 1988)

Feit 2: Joodse leraar

Een gelovig jood wist dat hij behoorde tot het uitverkoren volk en beantwoordde deze genade door zich zo goed mogelijk te houden aan de Wet van Mozes. Die was echter voor velerlei uitleg vatbaar en de joodse religieuze stromingen van die tijd – farizeeën, sadduceeën, essenen… – bakenden zich van elkaar af door de wijze waarop ze ‘de werken der Wet’ uitvoerden. Als Jezus de leider is geweest van een religieuze beweging, moet hij zijn visie hebben gegeven op deze kwesties.

Helaas zijn de evangelisten daarin nauwelijks geïnteresseerd. Toen zij schreven, zo’n veertig tot zeventig jaar na Jezus’ kruisdood, waren andere vragen actueel, zoals het uitblijven van het Laatste Oordeel en de plaats van niet-joden in de christelijke gemeentes. Toch valt nog wel het een en ander van Jezus’ opvattingen over de Wet te reconstrueren.

Eén voorbeeld is het verbod op het afleggen van eden, dat wordt genoemd door Matteüs en in de Brief van Jakobus. Dit is opmerkelijk, want de Wet van Mozes kent situaties waarin eedaflegging verplicht is. Uit de Dode Zee-rollen blijkt echter dat Jezus niet de enige was die op dit punt terughoudendheid adviseerde.

Een ander voorbeeld, met opnieuw een parallel in de Dode Zee-rollen, is Jezus’ verbod op echtscheiding, hoewel de Wet daar regels voor geeft. Jezus’ op deze punten nogal conservatieve uitleg past bij een profeet die een eindtijd verkondigde. In zulke existentiële tijden moest het ja van zijn volgelingen een ja zijn en een nee een nee. Tijd voor relatieperikelen was er ook niet.

Omgekeerd zien we een minder behoudende Jezus als we kijken naar zijn nonchalante omgang met de regels voor rituele reinheid en zijn laconieke houding ten opzichte van de sabbat. Uit de Dode Zee-rollen weten we bijvoorbeeld dat er groepen waren die meenden dat de sabbatsrust zo heilig was dat je zelfs geen drenkeling uit een put mocht redden, terwijl we van de farizeeën weten dat zij toestonden werk te verrichten als zo een mensenleven viel te redden. Ook zij gebruikten het voorbeeld van iemand die op zaterdag in een put was gevallen. Net als Jezus, die nog een tikje liberaler blijkt: niemand zou toch aarzelen om op de sabbat een schaap uit een put te redden?

Dit laatste voorbeeld brengt ons weer naar Jezus’ plaats in het toenmalige religieuze landschap: zijn opvattingen zijn wat we verwachten van een wijsheidsleraar die afkomstig was van een Romeinser wordend platteland. Daar waren de joden conservatief genoeg om op sommige punten geen gebruik te maken van vrijheden die de Wet hun toestond, maar tegelijk praktisch genoeg om geen dier te laten verdrinken. Jezus’ uitleg van de Wet bood zijn toehoorders een manier om joods te blijven in een regio waarin de Romeinse aanwezigheid traditionelere vormen van wetsuitleg bemoeilijkte.

Het hedendaagse onderzoek naar de historische Jezus plaatst hem dus niet alleen in een joodse context, maar zet hem in een gebied waar de bevolking gemarginaliseerd was geraakt, waar men meende dat het Verbond was beschadigd en waar men hoopte op een messias die de verhoudingen zou omkeren. Dat verlangen, dat bepaald niet representatief was voor het toenmalige jodendom, was zó sterk dat het geen bezwaar vormde dat Jezus uit Nazaret kwam en niet uit Betlehem.

Het Koninkrijk kwam echter niet. De auteurs van het Nieuwe Testament zetten alle zeilen bij om de mislukking weg te redeneren. Zo legden ze de basis van het christendom, waarin het geloof in Jezus centraal staat. Het inspireert al ruim negentien eeuwen miljoenen gelovigen maar is iets anders dan het eindtijdgeloof van de historische Jezus.