Het ideale wonen bleek toch niet zo ideaal

Bijlmer

Het moest een droomplek worden, 50 jaar geleden: ruime, betaalbare woningen met veel groen – en dat in Amsterdam. Het werd een drama. Maar er gloort weer hoop in de Bijlmer.

Het is halverwege het interview als Henno Eggenkamp (71), Bijlmerpionier sinds begin jaren zeventig, achterover leunt in de stoel en zijn handen naar zijn hoofd brengt. Hij heeft een uur tamelijk enthousiast vertelt over zijn buurt, de Bijlmer, maar als gevraagd wordt of hij de sloop van de honingraatflats weleens heeft bezocht, zoekt hij naar woorden. Zijn ogen schieten vol, hij wrijft over zijn gezicht. „Klootzakken, had het verdomme een kans gegeven.”

Met ‘het’ bedoelt Eggenkamp het prestigieuze bouwproject de Bijlmermeer, waar tegenwoordig nog maar weinig van over is. Precies vijftig jaar geleden werd begonnen met de bouw van tientallen hoogbouwflats aan de rand van stad. Een droomwijk met veel groen en ruimte, waar auto-, fiets- en voetgangersverkeer van elkaar gescheiden werd. Flats ontworpen voor omvangrijke Amsterdamse gezinnen, die in het centrum van de stad uit hun woningen waren gegroeid. Scherper gesteld: stedenbouwkundige Siegfried Nassuth tekende de ‘stad van de toekomst’ met een park dat de allure had van Central Park in New York.

Daarover schreef Daan Dekker (32) een boek: De betonnen droom. De biografie van de Bijlmer en zijn eigenzinnige bouwmeester. Dekker – „opgegroeid in een doorzonwoning in Bunnik” – was eigenlijk nog nooit echt in de Bijlmer geweest. Hij bezocht wel eens het Kwakoe Festival, „maar verder eigenlijk niet.” Over de idealen van de Bijlmermeer wist hij aanvankelijk weinig. Dekker raakte gefascineerd door hoogbouw na twee jaar in Sao Paulo te hebben gewoond in een hoogbouwflat. Bij terugkomst zocht hij naar de Nederlandse variant: de Bijlmer.

Zijn aandacht werd getrokken door de „sfinx” Siegfried Nassuth. Hij was, zegt Dekker, een interview-schuwe figuur over wie nauwelijks was gepubliceerd, iemand „met een enorme hang naar vrijheid”. Om een beeld te krijgen van Nassuths leven en idealen bezocht Dekker dezelfde verre oorden als Siegfried Nassuth. Ook sprak Dekker met talrijke (oud-)bewoners uit de Bijlmer.

Eén van die wijkbewoners is Henno Eggenkamp. Eggenkamp woont sinds begin jaren zeventig in het hart van de Bijlmer. Hij woont in de Grubbehoeve op de negende verdieping. Metrolijn 53 rijdt pal voor zijn balkon langs.

Hoge verwachtingen

Deze koude decemberochtend rijdt de metro door dichte mist over de betonnen brug. Binnen is het warm en een tikkeltje rommelig; de tafel ligt bezaaid met kranten. Eggenkamp drinkt koffie en rookt een sigaartje. Aanvankelijk was het „pionieren” in Grubbehoeve, zegt Eggenkamp. Hij deelde de flat met „soortgenoten”: blanke gestudeerden – allen geïnteresseerd in muziek. Er waren feesten, etentjes, verkleedpartijen; de bruine kroeg De Nachtegaal was het vaste ontmoetingspunt. „Beneden” in het restaurant werd gekookt door een Surinaamse kok, herinnert Eggenkamp zich. „Wij aten daar elke week met dezelfde mensen hetzelfde voer. Dat vonden we lekker.”

Op 13 december 1966 wordt onder toeziend oog van burgemeester Gijsbert van Hall de eerste paal in de grond geslagen van de Bijlmermeer. Het plan: een idyllisch woonoord.

Die gemeenschapszin herinnert ook Karin Moor (57) zich. Het leek haar ouders idyllisch om te wonen in een groene zone zonder druk autoverkeer, zegt Moor. In 1972 verhuisde het gezin naar de Bijlmer. De eerste jaren woonde ze met haar ouders op de tweede etage van Kralenbleek. Een paar jaar later ging ze zelfstandig wonen in de Grubbehoeve. Daar woonden mensen die „buiten de box” dachten, zegt Moor. „Het waren mensen met vrije geesten. We hadden een eigen radiostation en filmhuis. De verwachtingen waren heel hoog.”

Die hoge verwachtingen werden niet altijd waar gemaakt. Het was in diezelfde periode dat ook de eerste negatieve berichten verschijnen over de Bijlmer. Een probleem: de flats waren door de bouwbedrijven in rap tempo uit de grond gestampt, zegt schrijver Daan Dekker, maar daarbij was geen rekening gehouden met de faciliteiten. Zo waren er nauwelijks voorzieningen. Het openbaar vervoer ontbrak. En er was leegstand. De flats waren mathematisch ontworpen, zegt Dekker: „Siefried was te veel van zichzelf uitgegaan, met een gebrek aan empathie: de flats waren heel anoniem.”

Het gevolg: de bewoners die aanvankelijk op de idyllische Bijlmer af waren gekomen vertrokken weer. Daarvoor kwamen nieuwe mensen in de plaats die de Bijlmer vooral gebruikten als tussenstation, zegt bewoner Henno Eggenkamp. De flats werden in de volksmond gedegradeerd tot „konijnenhokken”. Oud-bewoner Karin Moor: „De Bijlmer werd het schrikbeeld van de moderne tijd.”

Optelsom van ellende

De situatie verslechterde. In de Gliphoeve woonde inmiddels een jeugdbende. „Kijk” zegt Daan Dekker als hij langs de voormalige Gliphoeve loopt, „dit was vroeger echt een junkenhol.” Ook Jenny van Dalen (66) kan zich die situatie nog goed herinneren. Van Dalen woont een paar kilometer verderop in Gaasperdam, maar werkt al tientallen jaren in de Bijlmer. Van Dalen: „Die junken trokken de kalkstenen van de dichtgemetselde ingangen er gewoon uit en lagen daar dan met twintig man te slapen.” Henno Eggenkamp: “Het werd één grote optelsom van ellende.”

Begin jaren negentig was de maat vol. De gemeente Amsterdam maakte tijdens de nieuwjaarsreceptie in 1992 bekend dat er gesloopt ging worden: de betonnen droom was definitief mislukt. Zelf bracht de ontwerper van de Bijlmermeer, Siegfried Nassuth, begin jaren negentig nog één bezoek aan de wijk – hij was er jaren niet geweest. Nassuth had zijn verlies genomen, zegt Daan Dekker: „Hij zweeg. Zijn vrienden vertelde me dat hij het heel pijnlijk vond.” Nassuth overleed in 2005.

Daan Dekker vindt het jammer dat die flats gesloopt werden, maar snapt het besluit wel: „De Bijlmer is niet meer van deze tijd. We zijn tegenwoordig veel meer op ons zelf gericht.” Stel diezelfde vraag aan pioniers Henno Eggenkamp en Karin Moor en ze sputteren tegen. Het tweetal gelooft nog steeds in het gedachtegoed van de honingraatflats, de twee zijn: „believers”.

De Bijlmer is door de politiek misbruikt om alle type mensen op te vangen waar op andere plekken in Amsterdam geen ruimte voor was

Eggenkamp: „De Bijlmer is door de politiek misbruikt om alle type mensen op te vangen waar op andere plekken in Amsterdam geen ruimte voor was.”

Moor: “Je woont in de stad van de toekomst, maar die stad wordt al gesloopt voor die goed en wel de kans heeft gekregen om zich te ontwikkelen.”

Hoop en Bijlmertours

Maar sinds een aantal jaren gloort er weer hoop in de Bijlmer. Met veel inzet van Eggenkamp en andere „believers” zijn een aantal oude Bijlmerflats gered van de sloop. Eén van die gebouwen, de Kleiburgflat, is omgedoopt tot de klusflat; kopers kunnen voor een schappelijke prijs ruw opgeleverde appartementen kopen. De uitdaging is om zelf de flat op te knappen: eigen-huis-en-tuin 2.0. Er is een groot en uitgebreid winkelgebied dichtbij station Bijlmer Arena. En sinds september 2015 huist in de Bijlmer de World of Food, dat is een grote horecagelegenheid waar ruim twintig ondernemers onder één dak eten serveren.

Ontwikkelingen zoals deze blijken een goeie manier om het negatieve imago, dat traditiegetrouw aan de Bijlmer kleeft, kwijt te raken. Daar zet ook Jenny van Dalen zich voor in. Wekelijks geeft Van Dalen tegen betaling aan groepjes geïnteresseerden Bijlmertours. Ze toont het „groene Bijlmer” en de „indrukwekkende architectuur”. Zo hoopt Van Dalen de talrijke vooroordelen die over de Bijlmer de ronde doen de kop in te drukken. Want, zegt Van Dalen, de meeste mensen zijn verbaasd als er aan het eind van de rondleiding niets ernstigs gebeurd is – is dit nou de Bijlmer? „Ik heb één keer een vrouwenvereniging uit Lintschoten rondgeleid, die hadden hun portemonnee en sieraden thuisgelaten.”

Nee, ghetto Bijlmer is niet meer, volgens deze stadsgids. Van Dalen lacht. Dan glunderend: „We hebben hier nu ook yuppen.” Karin Moor denkt er hetzelfde over: „De Bijlmer gaat het helemaal worden. Als je 100 jaar geleden tegen mensen uit de Jordaan zou hebben gezegd dat de hogere middenklasse er zou wonen, dan hadden ze je vierkant uitgelachen. Hier begint het nu ook al.”

Ook Daan Dekker merkte het tijdens de rondgang voor zijn boek. In de klusflat, zegt Dekker, wonen allemaal mensen die „er echt iets van willen maken”.

Zou de schrijver hier zelf kunnen wonen? „Waarom niet?”, zegt Dekker, die nu nog in de Jordaan woont. Terwijl Dekker op Ganzenhoef wacht op de metro wordt hij aangesproken door een lange man met een hoed op: Hilmano van Velzen, beter bekend als de dakloze dichter. Hij draagt een gedichtje voor.

Denk natuur, en zeg natuurlijk groen, dier en geur. / Hun geluid, de lucht, zo lekker ontspannen als in vrijheid. / Zonder een enkele gedachte die de geest alleen maar afleidt. / Denk natuur en zie ochtendmist van dauw die langzaam verdampt naarmate de zon zich hoger tilt.

Tevreden geeft Daan Dekker de dichter een aantal munten. Het was een mooi gedicht, zegt Dekker. Een gedicht bovendien dat Bijlmerontwerper Siegfried Nassuth tevreden zou hebben gestemd.