Cultuur

Interview

Interview

‘Er komt een moment dat het beter is dat je vertrekt’

Melle Daamen (57), tot de zomer directeur van de Stadsschouwburg in Amsterdam, kreeg dit jaar een nieuwe baan, verhuisde naar Rotterdam en maakte zijn ziekte wereldkundig. ‘Het heeft allemaal meer impact gehad dan ik had verwacht.’

Begin juni kondigde Melle Daamen, de man die in vijftien jaar de Stadsschouwburg weer een centrale plek in het uitgaansleven van Amsterdam had gegeven aan dat hij naar Rotterdam zou verkassen. Enkele weken later stuurde hij een brief aan zijn netwerk en vaste bezoekers van de schouwburg. Hij lijdt al tien jaar aan de ziekte van Parkinson, schreef hij. Hij merkte dat er steeds meer achter zijn rug gesproken werd over zijn onvaste motoriek. „Mensen dachten dat ik dronken was.” Maar inmiddels trilt zijn hand niet meer. „Kijk”, zegt hij en hij tilt zijn rechterhand op. „Ik heb in augustus een operatie ondergaan.”

De wisseling van baan, de verhuizing, de bekendmaking van zijn ziekte, de operatie: dat alles maakte 2016 een pittig jaar. „Het heeft allemaal meer impact gehad dan ik had verwacht.”

Mensen dachten dat ik dronken was

Hij ontvangt in de hal van de Rotterdamse Schouwburg. Als kort na begin van het interview een keiharde soundcheck losbarst, blijkt de onwennigheid op zijn nieuwe werkplek. Aan wie moet hij vragen of het geluid zachter kan? Een afspraak maken was ook al moeilijk, want zijn agenda raakte kwijt bij de verhuizing. „Ik heb hem nog niet terug. Zal wel in een zak met beddengoed zitten, of zo.”

Thuis in Rotterdam

Melle Daamen heeft net een nieuw huis aan de Rotterdamse Coolhaven. „Eerst huurde ik tijdelijk een gemeubileerd appartement, maar dat viel me tegen. Het verraste me van mezelf, dat ik blijkbaar zo aan mijn spulletjes hecht, dat is toch een beetje tuttig. Maar nu ik tussen mijn eigen spullen woon, voel ik me veel meer thuis in Rotterdam.”

Een klein comité van bekenden heeft zich over hem ontfermd om hem wegwijs te maken in Rotterdam. „Zij vertellen me met wie ik moet spreken. Nico (Haasbroek, ex-omroepbaas, red.) bijvoorbeeld kent ook de goede restaurants. Je kunt hier goed eten, met minder opsmuk dan in Amsterdam. Er wordt niet omstandig uitgelegd wat je allemaal op je bord hebt, dat je dan vervolgens met een vergrootglas moet terugvinden. Laatst kwam de kok vanuit zijn keuken zelf tomatentartaar brengen, zette het neer en zei: ‘Tomatentartaar’.”

In het werk merkt hij dat de verhoudingen anders zijn. „De ambtenarij, politici en de kunstsector zitten hier veel dichter op elkaar. In Amsterdam zie je de cultuurwethouder alleen bij openingen en premières. Als er hier een directeurenoverleg is van de belangrijke instellingen, dan is de top van de ambtenarij daarbij aanwezig. Dat gebeurt in Amsterdam hooguit één keer per jaar.”

Zijn verklaring: „Sinds de jaren vijftig heeft het gemeentebestuur hier mensen uit de culturele sector nadrukkelijk bij de stad betrokken. In een poging om de middenklasse naar de verpauperde stad te halen en te behouden, heeft het stadsbestuur actief de kunstensector gesteund. In Amsterdam is het bestuur eerder bezig met het selectief dichthouden van de deuren.”

Een paar weken getwijfeld

Daamen is door Johan Simons overgehaald om naar Rotterdam te komen. Simons zou in Rotterdam een theaterbedrijf naar Duits model inrichten waarbij onder leiding van één intendant het toneelgezelschap en het theater één organisatie vormen. Dat zou ook internationaal moeten kunnen opereren. Daamen: „Ik heb een paar weken getwijfeld. Of in Nederland een fusie van schouwburg en theatergezelschap wel zou werken. En of ik de Stadsschouwburg wel wilde verlaten. Maar er komt een moment dat het voor de organisatie beter is als je vertrekt.”

Er werd wel gesuggereerd dat ook een steeds killere verstandhouding met Ivo van Hove, directeur van Toneelgroep Amsterdam, het huisgezelschap van de Stadsschouwburg, ermee te maken zou hebben. „Ivo pleit al jaren voor een fusie tussen schouwburg en gezelschap, en die wens is niet minder geworden. Terwijl ik voorstander bleef van het model zoals het was: schouwburg en gezelschap apart. Een sterke regisseur zal altijd voor zijn eigen producties opkomen, en daar moet dan onvermijdelijk de gastprogrammering voor wijken. Dat leidt tot verarming van het aanbod, hoe goed Ivo en Toneelgoep Amsterdam ook zijn.”

Er komt een moment dat het voor de organisatie beter is als je vertrekt

Hij heeft Van Hove in Parijs gebeld, voordat de overstap bekend werd gemaakt. „Hij zei meteen: ‘ga je nou in Rotterdam een fusie doen, terwijl je dat in Amsterdam niet wilde?’. Ik weet niet meer wat ik heb geantwoord. Nee, niet dat het verschil is dat ik in Rotterdam nu de grote baas ben, haha. De situatie is hier echt anders. Hier is niet één grote maker, dus kan een grote regisseur ook niet de schouwburgdirecteur overvleugelen of omgekeerd.”

Hij noemt de situatie in Rotterdam heel anders dan in Amsterdam en ook in Den Haag, waar de Koninklijke Schouwburg, Theater aan het Spui en het Nationale Toneel ook zijn gefuseerd. „In Amsterdam en Den Haag zijn één of twee sterke regisseurs, die de thema’s in grote mate bepalen. Zoals nu politiek en racisme in Den Haag. Hier werken we met een tafel van makers, met verschillende onderwerpen en werkwijzen. Tussen regisseur Pieter Kramer van familievoorstellingen als Snorro en Bianca van der Schoot en Suzan Boogaerdt met hun mime-voorstellingen zit een enorm verschil. Onze makers vinden elkaar eerder in een mentaliteit dan in een inhoudelijke verwantschap.”

Rotterdamse trots creëren

Het zal tijd kosten om die verschillen onder één noemer te krijgen, denkt hij. „Het duurt zeker een paar jaar voor Theater Rotterdam een herkenbare signatuur heeft. We moeten een nieuw publiek opbouwen, erkenning krijgen in de vakwereld en een oplossing vinden voor het feit dat minder mensen naar toneel gaan in een schouwburg en meer op andere locaties. Dat speelt juist in een stad als Rotterdam, waar je niet alleen jonger publiek maar ook mensen uit andere bevolkingsgroepen binnen wil krijgen.”

De internationale ambities van Johan Simons met Theater Rotterdam zijn voorlopig op een lager pitje gezet. Dat kon niet anders, omdat de benodigde extra subsidie daarvoor niet kwam. Maar de ambitie is niet weg. „Als Rotterdam een internationale stad wil zijn, moet je ook internationaal programmeren en produceren. Ja, Theater Rotterdam moet naast Toneelgroep Amsterdam een tweede gezelschap zijn dat in de theaters in Londen, New York of Parijs speelt. Of nog eerder in de Duitse steden, door de contacten van Johan. Je kunt daarmee ook een soort Rotterdamse trots creëren, waardoor mensen hier in de schouwburg komen kijken wat wij zelf doen. We gaan natuurlijk ook door met het internationaal programmeren.”

Hij erkent dat dat een uitdaging wordt, omdat theater in Rotterdam niet vanzelfsprekend een groot publiek op de been brengt. „Het is zeker mijn ambitie om meer publiek naar deze schouwburg te krijgen. Het moet een levendige, centrale plek in de stad zijn.”

Zijn ziekte heeft geen rol gespeeld bij zijn overstap, zegt Melle Daamen. De raad van toezicht in Rotterdam had hij keurig ingelicht bij de sollicitatie, nog voor hij zijn brief stuurde. Achteraf was de bekentenis niet nodig geweest, dankzij die operatie. Een heftige ingreep, waar hij vrolijk plastisch over vertelt. „Er is een elektronische pacemaker in mijn hoofd gezet, waardoor ik de komende tien, twintig jaar geen problemen met trillingen meer zal hebben. Het was een vreselijke operatie, want je bent overal bij. Er is alleen een plaatselijke verdoving. Je hoort dat in je hoofd wordt geboord. En daarna hoor je ook nog ‘plop’. Ik heb dat totaal onderschat. Gelukkig droom ik er niet van.”

Rondlopen met een geheim

Hij heeft geen spijt dat hij die brief toch heeft gestuurd. „Ik liep natuurlijk toch heel lang met een geheim rond. Ook voor veel vrienden. Op een gegeven moment wist ik niet meer aan wie ik het wel en niet had verteld. Een IJslandse vriendin, die het wist, vertelde me dat twee andere vrienden haar hadden gevraagd: ‘Wat is er toch met Melle, drinkt hij te veel?’ Toen vond ik dat ik echt wat moest doen. Het is prettig om nu geen geheim meer te hebben.”

Spijt dan dat hij er niet eerder mee naar buiten is gekomen? „Achteraf wel. Ik heb er erg tegen aangehikt, ik wilde het zelf gewoon niet weten. Maar ik weet het al tien jaar. Dat was toen een klap. Het is een ouderdomsziekte, dat zat me vooral dwars, maar het komt vaker voor op jonge leeftijd. Een kennis die neuroloog is, drukte me op het hart: ‘Ga nou niet googlen. Dan lees je alleen maar de ergste dingen’. Dat advies heb ik serieus genomen. Ik lees nooit iets over de ziekte. Niet om mijn kop in het zand te steken, maar heel veel gaat alleen maar over de eindfase. Daar word je niet vrolijk van. Mijn vriendin leest wel alles, zij wist ook alles van die operatie.”

Ik liep natuurlijk toch heel lang met een geheim rond. Ook voor veel vrienden

Hij is van plan voor het eerst echt te gaan samenwonen, zegt hij, de 57-jarige die nog wel eens voor meest felbegeerde vrijgezel van Amsterdam is versleten. „Ja, ik wil wel”, zegt hij vrolijk. „We wonen zowel in Rotterdam als Amsterdam.” Maar heen en weer reizen vindt hij zwaar. „Het zou praktischer zijn geweest om in Amsterdam te blijven. Maar dat kan niet met al het avondwerk hier. Achteraf is het allemaal een beetje snel gegaan. Maar ik heb geen spijt dat ik Amsterdam na al die jaren heb verlaten. Het voelt goed. Ik ben hier heel hartelijk ontvangen.”

Zo hartelijk, dat Daamen zich soms afvraagt of hij het wel allemaal kan waarmaken. „Dat had ik ook toen ik in de Stadsschouwburg begon. Zoveel mensen zeggen dat ik het wel kan, dat ik elk complimentje als extra druk op mijn schouders ervaar.”