Is Donald Duck ook een boze witte man?

Hij is boos, hij is wit en hij deelt zijn voornaam met de nieuwe Amerikaanse president. Lijkt de mopperkont Donald Duck op de angry white man, de Trump-fan?

Brieven in Oom Donald’s brievenbus, de fanmailrubriek in Nederlands ‘vrolijk weekblad’ Donald Duck beginnen tegenwoordig vaak met ‘Pluizige verenbol’ of ‘Donzige Donnie’.

Dat Donald Duck van nature nogal kortaangebonden en boos is, valt niet meer zo op nu vooral de zachtere kanten van de woerd benadrukt worden. Maar Donald Duck werd vanaf zijn eerste verschijning in 1934 in Amerika vooral populair omdat hij bij het minste of geringste totaal door het lint kon gaan.

Hij is boos.

Hij is wit.

Hij is een Amerikaanse man.

Bovendien is hij ook nog een pechvogel. De Amerikaanse Droom, heel rijk worden door hard te werken, lijkt voor hem niet weggelegd. Hij was en is in de stripverhalen die aan hem gewijd zijn vrijwel altijd op zoek naar een baantje, of een beter baantje, om wat geld te verdienen. Economisch is hij geen hoogvlieger.

Eigenlijk past Disney’s strip-eend Donald Duck wonderwel in het mandje van stakkers (‘a basket of deplorables’), zoals Hillary Clinton een deel van Trumps aanhang noemde tijdens de afgelopen presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten. Later zei ze die opmerking te betreuren. Het hielp niet. Trump won, met hulp van stemmen van ‘angry white men’ uit Amerika’s economisch minder welvarende gebieden, aldus de experts.

Kortaangebonden

Zonder twijfel lijkt Trump, de kortaangebonden vastgoedmagmaat, die ’s nachts graag woedende tweets de wereld instuurt en er trots op is amper belasting te betalen, op Dagobert Duck – Scrooge McDuck in het Engels: de kribbige, vrekkige superrijke eenden-oom van Donald Duck, die altijd meer wil hebben.

Maar hoe zit het met Donald Duck? Lijkt hij op de boze witte Amerikaanse man die Trump steunt?

De Disney Company zal het ontkennen. Het bedrijf doet er alles aan om zijn tekenfilm- en stripfiguren uit politiek en ander mogelijk controversieel vaarwater te houden: zij willen puur vermaak bieden. Dat is prima, maar het publiek, zoals Walt Disney zelf al zag, legt wel degelijk verbanden tussen de politieke werkelijkheid en de fictie-eend.

Donald Duck was namens het publiek bozer op alles dan zij zelf mochten zijn

In de jaren dertig, tijdens de Grote Depressie, had de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt een snel geïrriteerde minister van Binnenlandse Zaken, Harold Ickes – die zichzelf de ‘Grote Mopperkont’ (the Great Curmudgeon) noemde. Het publiek zag in Donald Duck, die om het minste of geringste ontplofte, een parodie op mopperkont Ickes. ‘Soms was het voor het publiek moeilijk om te bepalen of Ickes „the Duck” nadeed, of dat „the Duck” Ickes imiteerde’, zei Disney volgens zijn biograaf Neal Gabler

Het waren zijn woedeaanvallen die ‘the Duck’ populair maakten. Donalds carrière als Disney-eend begon nog rustig in het tekenfilmpje The Wise Little Hen in 1934, waarin hij weigert een wijs kippetje te helpen bij de maïsoogst. Daarin was hij nog een van de gewone bijfiguren. Hij werd pas een hit toen hij in datzelfde jaar als razende tegenhanger van de inmiddels braaf geworden Micky Mouse optrad in de tekenfilm The Orphan’s Benefit. Hij moest tijdens een benefietvoorstelling een liedje zingen en werd woedend toen de kinderen in het filmpje hem uitjouwden. Met dat filmpje waarin de eend zijn uitzinnig boze karakter kreeg, begon de triomftocht van Donald Duck. Hij werd populairder dan Mickey Mouse; Disney maakte meer strips en films over de eend dan over de muis. Donald Duck werd een uitlaatklep: hij was, als het weer eens tegenzat, namens het publiek bozer op de wereld dan zij zelf mochten zijn, en werd daarom hun lieveling.

De tijden zijn veranderd, Donald Duck is een internationale Disney-ster geworden, met verschillende karakters in verschillende landen. In de Verenigde Staten en Italië is hij onder meer als superheld en avonturier geliefd, in ons land en andere West-Europese landen is hij meer een vrolijke tobber, een soort Elkerlyck. Maar de boze basis blijft – hij is bijvoorbeeld voortdurend in gevecht met zijn buurman Bolderbast.

Meetlat

Het kan dus geen kwaad Donald Duck eens langs de hedendaagse boze-witte-mannen-meetlat te leggen.

In zijn boek Angry White Men: American Masculinity at the End of an Era (2013) somt Michael Kimmel drie onderscheiden karaktertrekken van de moderne boze Amerikaanse witte man op. Het gaat om in aanleg doorsnee witte mannen, vaak met een arbeiders- of middenklasse-achtergrond, uit economisch achtergebleven gebieden. Ze voelen zich door de politiek en het bedrijfsleven verraden en vergeten. Ze haten de grote stad, woon- en werkplaats van de verraders met hun praatjes over minderheden- en vrouwenemancipatie, die het karakter van kleinsteeds Amerika, dat zij als het ware zien, aantasten. Ze zijn verbitterd en voelen zich, met hun kleinsteedse waarden van wit Amerika, superieur aan anderen. Zo geloven ze heilig in het kapitalisme van de kleine ondernemer en de middenstander. Dat maakt ze (1) sterk pro-kapitalistisch, (2) racistische, witte suprematisten die zich (3) erfgenamen van het ware, oorspronkelijke Amerika voelen. Geen wonder dat Trump hen aansprak.


Zie ook deze film: Donald Duck moet van zijn vriendin Katrien een cursus woedebeheersing doen.

Donald Duck scoort alleen op het eerste punt. Hij gelooft in het kapitalistisch systeem; alle tegenslagen ten spijt probeert hij keer op keer een baantje te krijgen, of zoekt hij hulp bij superkapitalist oom Dagobert. Hij is wel regelmatig boos, maar nooit zo bitter als de Amerikaanse angry white man: Donald Duck blijft onverkort optimistisch in de Amerikaanse Droom geloven. Hij houdt ook zeker van het Amerikaanse platteland, waar de angry white men zo op gesteld zijn, maar komt na een bezoekje aan de boerderij van oma Duck, altijd weer graag terug in Duckstad.

Racistisch is Donald Duck ook niet. En een patriot evenmin – het land waarin de Ducks wonen is non-descript. Donald Duck mag dan wortels in het Amerika van de Grote Depressie hebben, hij is inmiddels wereldburger. Hij is weliswaar wit, boos en woerd, maar een angry white man is hij niet.