Ainom wordt echt een Hollander

Asielzoekers

De gemeente Cuijk vangt een twintigtal jonge Eritreeërs op. De overgang van Eritrea naar Nederland is groot – qua eten, wonen, leven. Daar doe je alles samen, hier heb je „een momentje voor jezelf”.

Foto Merlijn Doomernik

Voor het rijtjeshuis in Cuijk staat een damesfiets tegen de gevel. Als het niet té koud is, fietst Ainom Tedla daarmee naar Nijmegen voor de Nederlandse les. Een Eritreeër, gebogen over het stuur, diep weggedoken in zijn kraag, langs slootjes, rijen knotwilgen en kerkdorpen.

Ainom (33) woont in het rijtjeshuis met zijn vrouw Semhar Teclesenbet (ongeveer 30) en hun dochters Lulia (6) en Ruth, van twee maanden. In Cuijk wonen nog vijftien jonge Eritreeërs; een paar vrouwen, vooral mannen. Zij krijgen Nederlandse les in het dorp. Alleen Ainom en Semhar gaan vier halve dagen per week naar Nijmegen. De lessen daar zijn van hoger niveau.

Nu gaat Ainom trouwens even alleen naar Nijmegen, want Semhar heeft zwangerschapsverlof. In Eritrea worden moeders na de bevalling verzorgd door hún moeder. Zo was dat na de geboorte van Lulia, die in Keren (Eritrea) werd geboren, de stad waar haar ouders vandaan komen. In Cuijk kwam een kraamverzorgster voor Ruth. Haar kinderwagen staat in de huiskamer. In Eritrea worden baby’s met een lap op de rug van de moeder gebonden. Eigenlijk is het gek dat Nederlandse moeders dat niet doen, zegt Semhar, het is zo handig. „Je hebt je handen vrij, de baby is veilig en ligt dicht tegen de moeder aan. Ik denk er weleens aan als ik met de kinderwagen de bus in moet.”

Op woensdag is er geen Nederlandse les in Nijmegen. Dan loopt Ainom om half zes naar het buurthuis in Cuijk. De Cuijkse Eritreeërs die binnendruppelen – negen mannen, twee vrouwen – houden hun winterjassen ook binnen aan.

Ainom zet de beamer aan en begint: „Ik vind speculaas heerlijk.” Zijn toehoorders kijken verbaasd. „Ik lust graag sperzieboontjes.” En: „Rauwe haring vind ik niet lekker.” Haring, haring? Ainom vertaalt in het Tigrinya. Afgrijzen op de gezichten. „Lekker, lekkerder, lekkerst”, gaat hij onverstoorbaar verder. „Vies, viezer, viest.”

Eritreeërs doen alles samen

De Eritreeërs vinden de lessen van een landgenoot prettig. Ze durven meer te vragen en het kan in hun eigen taal, wat veel makkelijker is. Ainom begrijpt hen veel beter dan Nederlandse docenten. Hij weet dat ze gewend zijn op te staan als de leraar binnenkomt, dat de vrouwen de ogen neerslaan als de docent iets vraagt, zeker als dat een man is. Eritreeërs zullen nooit hardop een antwoord roepen, zoals bijvoorbeeld Syriërs. Ze zullen zeker niet een discussie beginnen. En dat, zegt Ainom, „doen Nederlanders juist graag”.

Als we teruglopen door de donkere straten, wijst Ainom naar de gezinnen achter de grote ramen. Twee tieners en hun vader hangen op de bank voor de tv. Een ouder echtpaar speelt een kaartspel aan tafel. „Dit vind ik het grootste verschil met Eritrea”, zegt hij. „Een gezin alleen zul je daar niet snel zien. In Eritrea doen we alles samen – eten, wonen, leven.”

Thuis vertelt Semhar hoe Eritreeërs wonen. Op het platteland in kleine huisjes op een erf. Kinderen blijven meestal in de buurt van ouders wonen. Ainom: „Pas in Nederland leerde ik de betekenis van het woord privacy.” Hij aarzelt. „Hoe zeggen jullie dat ook al weer?” Semhar, trots: „Een momentje voor jezelf!”

Pas in Nederland leerde ik de betekenis van het woord privacy

De Eritreeërs in Cuijk zoeken elkaar op. Over politiek praten we dan niet, zegt Ainom. „Daar komt maar ruzie van.” Ze vinden elkaar in het gemis van hun land. „Nou ja”, zegt Ainom, „ik mis vooral familie en vrienden.” Even later: „Ik mis ook vertrouwdheid. In je eigen land ken je alles; de geur, de muziek in een café, het eten, de weg. Echt alles. Die vanzelfsprekendheid is weg.”

Tot maart dit jaar woonden Ainom, Semhar en Lulia op één kamer in het asielzoekerscentrum in Musselkanaal (Groningen). Ook daar had Ainom een soort hulpverlenersrol. Hij spreekt goed Engels, een uitzondering bij Eritreeërs. Hij studeerde medicijnen in de hoofdstad Asmara en werkte er als basisarts. Semhar werkte bij het ministerie van Landbouw en spreekt ook Engels. Medewerkers uit het azc vroegen Ainom vaak te vertalen – goedkoper en sneller dan de tolkentelefoon. Hij deed het graag: in het asielzoekerscentrum is de grootste uitdaging je tijd nuttig te besteden.

Ainom Tedla kwam op een ongewone manier naar Nederland. Hij kreeg de mogelijkheid een jaar in Maastricht te studeren met een beurs. Een groot voorrecht, want vrijwel alle Eritreeërs moeten oneindig lang het leger in. Hij begon zijn studie in september 2013. Aan het eind van het studiejaar had hij besloten niet terug te keren. Hij vroeg asiel aan.

Een betrouwbare overheid

Het lastigst was nog Semhar en Lulia naar Nederland te krijgen. Die konden in Eritrea niet zomaar op het vliegtuig stappen. Smokkelaars brachten hen naar Soedan, van daaruit vlogen ze naar Nederland.

In Nederland is vast niet alles perfect, zegt Ainom Tedla, „maar de overheid is betrouwbaar. Nederlanders beseffen niet hoe een onbetrouwbare overheid het leven kan verzieken. Het is de constante dreiging. Elk moment kun je worden gesommeerd het leger in te gaan. Of, als je om een of andere reden opvalt, kun je worden opgepakt en gemarteld.”

De taal vinden de Nederlanders heel belangrijk, zegt hij. Zo gek, zegt hij, dat ze niet al in het asielzoekerscentrum taallessen op verschillende niveaus bieden. De taallessen op de zolder van het azc waren gericht op de veelal laagopgeleide Eritreeërs. Voortdurend werd onderling vertaald in Tingrinya.

Terug in Cuijk. Kidane (20) komt langs, een van de jonge Eritreeërs die les krijgt van Ainom. Semhar gaat koken en legt Ruth op Kidanes schoot. Een beetje onwennig schudt hij haar zachtjes heen en weer. Hij mist zijn familie, zegt hij. In het azc was hij jaloers op de Syriërs die de hele dag aan het facetimen en skypen waren met familie. Naar Eritrea kan dat niet. Daar is geen wifi. Hij moet bellen. En dat is duur.

Wat doet hij naast de Nederlandse les? Weinig. In de asielzoekerscentra, maar ook hier in Cuijk, brengen Eritreeërs samen de dag door rond een schaal popcorn, zal Ainom later vertellen. Uit zichzelf komen ze niet in actie, ze moeten een zetje krijgen, vindt hij. „Blijven zitten helpt alleen bij het dik worden.” Zelf probeert hij een stage te regelen bij het Radboudumc in Nijmegen. Hij wil de Nederlandse ziekenhuismores leren kennen.

Kidane mist een vrouw

Lulia springt rond. Haar Nederlands is bijna perfect. Een voor een noemt ze haar vriendinnen uit haar klas op. Het zijn er veel. Ze laat haar K3-mat zien, gekregen van Sint. Als je erop gaat staan, gaan de K3-dames zingen en kun je meedansen.

Semhar zet spaghetti op tafel. In Eritrea wordt het eten meestal geserveerd op een grote ronde pannenkoek. We eten ook veel Italiaans, zegt Semhar, wijzend op de spaghetti. „Eritrea was lang een Italiaanse kolonie.”

Wat Kidane mist in Nederland? Een vrouw, zegt hij. Een Nederlandse? Ja hoor. Het klopt toch, vraagt Kidane hoopvol, dat er in Nederland een vrouwenoverschot is? 70 procent van de Nederlandse bevolking is vrouw toch?

Het klopt toch dat er in Nederland een vrouwenoverschot is?

Ainom stapelt de borden op en brengt ze naar de keuken. Semhar en Kidane zeggen iets tegen elkaar in het Tigriniya en lachen. „Hij wordt echt een Hollander”, zegt Semhar. In Eritrea doen mannen helemaal niets in het huishouden. „Dat verandert wel wat”, zegt Ainom als hij terug is. „Steeds meer mensen hebben een schotel en kijken naar CNN, BBC en Al-Jazeera.”

Semhar kijkt bedenkelijk. Het zit diep ingebakken. „In het Tigrinya bijvoorbeeld gebruik je verschillende uitgangen als je tegen een man praat of tegen een vrouw. Als je tegen een man praat op de manier die eigenlijk bij een vrouw hoort, toon je dedain. Andersom, als je tegen een vrouw spreekt alsof ze een man is, dan laat je merken dat je haar hoogacht.”

Het gezin voelt zich thuis in Cuijk.

Ik hield van Asmara, nu hou ik van Cuijk, zegt Ainom. Als het me lukt om straks een baan te vinden en dat is in Vlissingen, dan gaan we daarheen. Ik ben 5.000 kilometer verwijderd van mijn thuisland, dus dan maken die paar honderd kilometer echt niets uit.