Recensie

Zang en dans maken sterren even tastbaar

Vlak voor het einde van het jaar krijgen we met La La Land nog een uitsmijter van jewelste, eentje die het hele filmjaar op z’n kop zet. En nu niet meteen gillend weglopen bij het woord musical. Want de film zit inderdaad vol met dans- en zangnummers. Maar dan van het soort dat de sterren op het witte doek niet mooier en virtuozer maakt dan de toeschouwers in de zaal. Het brengt ze juist dichterbij.

Hoofdrolspelers Emma Stone (wannabe filmster Mia) en Ryan Gosling (jazzpianist Seb) kunnen helemaal niet zo goed zingen en dansen, en juist daarom maken ze van ons allemaal zangers en dansers. Want sommige dromen laten zich nou eenmaal het beste bezingen.

Wat deze met verwijzingen naar klassiekers als Singin’ in the Rain (1952) en Les parapluies de Cherbourg (1964) volgepakte metamusical van Damien Chazelle anders maakt dan een doorsnee musical, is dat hij laat zien hoe de parallelle wereld van de verbeelding geworteld is in het alledaagse. Zelfs als je niet danst en zingt, zelfs als je de violette zonsondergangen, de vallende sterren niet ziet: ze zijn er toch.

Mia en Seb dromen allebei van een loopbaan in een wereld die niet meer bestaat: zij van het Hollywood van weleer, hij van jazzmuziek als scheppingsdaad. Hoe simpel het verhaaltje over de onvermijdelijke liefde van deze twee verwante zielen en hun respectievelijke carrièretrubbels ook is, wat de film echt boven zichzelf uit doet tillen is het geniaal gescripte en gechoreografeerde einde.

Net als Chazelles vorige film Whiplash gaat ook La La Land over kunstenaarschap en de offers die je daar misschien voor moet brengen. Die zijn ook voor onze geliefden niet gering. Waar Whiplash meer inzoomde op de schaduwkanten van de showbizz, laat La La Land zien dat de verbeelding onbreekbaar is. Je leven kan de ene kant op gaan, en je dromen de andere. En toch is er een magisch moment waarop ze allebei waar zijn.