Opinie

Witte verdedigingsreflex is niet alleen maar onredelijk

Dat de antiracistische boodschap van Sunny Bergman niet altijd goed aankomt, heeft niet alleen te maken met de overgevoeligheid van witte mensen, schrijft

Waarom worden witte mensen boos of defensief als je het over racisme hebt? Die vraag stelt Sunny Bergman in haar nieuwe documentaire Wit is ook een kleur.

Ze laat zien dat opvattingen die universeel lijken, bepaald zijn door een wit perspectief. Sunny’s stiefvader vat het goed samen: „Alles wat gewoon is, verdwijnt naar de rand van je bewustzijn.” Smog kun je vanaf een heuvel over een stad zien liggen. Maar het gif dat je dagelijks inademt, neem je niet waar.

Wit zijn leidt tot voordelen waar je meestal geen afstand van kunt doen. Zoals iedere documentaire van Sunny Bergman is ook deze film weer controversieel, al is mij niet duidelijk waarom precies.

De postraciale samenleving kan pas worden bereikt als we beseffen dat deze nog geen feit is. Zoals je een verslaving pas kunt overwinnen als je hem erkent. Het afwijzen van de sociale gelijkheidsstrijd is een achterhoedegevecht, maar tegelijkertijd dominant in de discussie.

De pijnlijkste omschrijving van die strijd is de kwalificatie ‘cultivering van slachtofferschap’. Alsof het aankaarten van structurele ongelijkheid op gespannen voet zou staan met de individuele inspanning om diezelfde ongelijkheid te overwinnen. Zouden minderheden werkelijk minder uren steken in een motivatiebrief, als ze er tegelijkertijd terecht op wijzen dat ‘Jansen’ vaker tot een uitnodiging leidt dan ‘El Amrani’? De verantwoordelijkheid van het individu ontslaat ons niet van de collectieve verantwoordelijkheid gelijke kansen te creëren.

Het poppenexperiment van de psychologen Kenneth en Mamie Clark, waarbij kleuters vragen beantwoorden over een witte en een gekleurde pop, heeft bij Sunny dezelfde deprimerende uitkomst als zeventig jaar eerder. De witte pop is mooi, slim, een leider – de zwarte dom, arm, en stout. Een (donker) jongetje noemt de zwarte pop „een indiaan, een donker blut mens, een beetje dom”. Als kleuters al zo naar hun omgeving kijken, hoe zit het dan met de juf? Hoe zit het met ons? Kunnen we oprecht zeggen dat deze mechanismen niet doorwerken in onze eigen psyche, en de samenleving als geheel? Wit is ook een kleur laat vooral zien hoe redelijk die vraag is.

Maar redelijkheid is soms ver te zoeken – ook bij de antiracisten. Alle weerstand afdoen als white (male) fragility is te gemakkelijk. Ons besef van de vernietigende kracht die racisme kan hebben, is deels juist verantwoordelijk voor de defensieve reflex die optreedt bij een (impliciete) beschuldiging van racisme. Het vormt zo een barrière in het debat, maar paradoxaal genoeg heeft het ook een functie – het voorkomt dat we racistische uitwassen bagatelliseren.

Verder hebben mensen een hekel aan zendelingen, aan kennis die ze niet mogen uitdagen. Natuurlijk is het eerst en vooral aan mensen van kleur om zich over racisme uit te spreken. Maar een ander tegenspreken doe je niet alleen om hem te overtuigen, maar juist ook om je eigen gelijk te bevragen.

De publicist Mitchell Esajas schreef onlangs dat het aankaarten van witte dominantie altijd op het ‘instituut’ is gericht. In de praktijk worden begrippen die het metaniveau moeten beschrijven, regelmatig ingezet als wapen tegen het individu.

Een voorbeeld: Atlas/Contact-redacteur Jelte Nieuwenhuis tweet dat niemand met hem in debat wil over cultural appropriaton. Arzu Aslan, in een reactie, weet waarom: Nieuwenhuis is een witte man, die al zijn reflexen meebrengt en ruimte wil innemen.

Bezwaar maken tegen zo’n denktrant kun je niet afdoen als overgevoeligheid. Het zou Sunny hebben gesierd als ze ook deze aspecten had durven onderzoeken. Als illustratie van white privilege is haar documentaire zonder meer geslaagd. Maar een compleet antwoord op de door haar geformuleerde hoofdvraag (‘Waarom worden witte mensen boos als je het over racisme hebt?’) is het niet helemaal.