Nee is nee

Je hoeft geen helderziende te zijn om te voorspellen dat de uitdrukking ‘nee is nee’ bij de komende verkiezingen een grote rol zal gaan spelen. Nederland zei „nee” in een raadgevend referendum over het handelsverdrag met Oekraïne, maar premier Rutte boog dit om tot „ja, mits”.

Zelf gaf Rutte onder meer als verklaring dat hij had gehandeld in het landsbelang en niet zozeer als leider van de VVD. Had hij het landsbelang niet vooropgesteld dan moest hij, zo verklaarde hij in het NOS Journaal, „als een Zoef de Haas wegwezen”.

De Fabeltjeskrant werd uitgezonden tussen 1968 en 1989; ik betwijfel dus of jongeren erg bekend zijn met Zoef de Haas, een hijgerig personage uit deze televisieserie, maar ik moest lachen om de vergelijking.

Toch zal Rutte deze kwestie niet kunnen wegwuiven. ‘Nee is nee’ laat aan duidelijkheid weinig te wensen over. Wie hier ‘ja’ van maakt, wekt onvermijdelijk de indruk zich weinig van kiezers aan te trekken. Volgens fabeltjesweb.nl is Zoef de Haas „een van de eigenaardigste karakters van het Dierenbos. Hij waait met alle winden mee en (…) voert zijn eigen politiek”. Deze definitie dateert overigens van ruim vóór Ruttes verwijzing naar Zoef.

Sommige mensen associëren ‘nee is nee’ met een seksuelevoorlichtingscampagne uit de jaren zeventig, zo bleek mij. De slogan luidde: „Als een vrouw ‘nee’ zegt, bedoelt ze ‘nee’.” Dit als antwoord op de machowijsheid: „Als een vrouw ‘nee’ zegt, bedoelt zij ‘ja’”.

Bovendien waren juristen het indertijd oneens over de vraag of ‘nee’ zeggen voor een vrouw voldoende was om seksuele avances van mannen af te wijzen.De zegswijze ‘nee is nee’ is een stuk ouder dan deze voorlichtingscampagne. Bij mijn weten gaat zij terug op een passage in het Nieuwe Testament, namelijk op de tweede zendbrief van Paulus aan de Korintiërs. Paulus had aangekondigd om tweemaal de christenen in Macedonië te bezoeken, maar kon geen woord houden. Om te voorkomen dat hem dit schaadde, schreef hij in 2 Korintiërs 1:17-18: „Komen al mijn plannen werkelijk voort uit wispelturigheid, zodat ik het ene moment ja zeg en het andere moment nee? Zo waar God trouw is, wanneer ik ja tegen u zeg bedoel ik ook ja, niet nee.”

In een vertaling uit 1717 zegt Paulus: „Bij mij is ja ja, en neen is neen.” In het Bijbelboek Jakobus (4:12) komt een vergelijkbare passage voor: „Laat uw ja ja zijn, en uw nee nee, anders zult u ervoor gestraft worden.”

Pas vanaf het begin van de 19de eeuw vond ik ‘neen is neen’ in niet-religieuze teksten. Zo wordt in een taalboek uit 1805 de vraag gesteld of er nog mensen bestaan voor wie geldt „ja is ja, en neen is neen”. Volgens de auteur was dat niet zo: hij zag overal „haer-klieverij, bedrog en verblinding”.

J.A. Meijers nuanceerde dit enigszins in 1952 in zijn boek Zin en onzin in het hedendaags taalgebruik: „De Nederlander, zegt men, is een man, wiens ja is ja en wiens nee is nee. Het zal wel zo zijn, maar dit weet ik wel heel zeker: zijn niet is niet altijd niet. In behoorlijke vorm: niet heeft niet altijd een ontkennende functie in onze taal.”

Ewoud Sanders schrijft wekelijks over taal. Twitter: @ewoudsanders