Column

Mensenvlees

‘We hebben het op school gehad over dieren die hun eigen jongen eten”, zegt mijn neefje van negen en staart zijn moeder, mijn zus, onzeker aan. „Jeetje lief,” zegt ze, „dat zou ik nooit doen.” Ze legt haar kaarten neer. Ik poker in december met mijn broer en zus tot diep in de nacht. Maar nu is er een sip neefje.

„Zelfs niet als je hele erge honger had?” vraagt hij onzeker.

„Nee joh,” fluistert mijn zus, „ik ben toch vegetariër.”

„Veel dieren doen het hoor,” zegt mijn broer, die zijn smartphone er inmiddels bij heeft gepakt, „maar volgens Wikipedia eten mensen vooral medevolwassenen.”

„Wat op zich niet logisch is”, peinst mijn zus. „Ik bedoel, een volwassene heeft al meer ziekten gehad, misschien zelfs zware metalen opgeslagen. Die lever en nieren zullen echt niet zo schoon zijn.”

Mijn broer en zus hebben een kleine discussie hierover en zo komt het gesprek op de vraag wat dan de voedingswaarde is van kinderen, en wordt het internet er weer bijgepakt.

„Nou, dat is hoopvol,” zegt mijn zus, „jong mensenvlees barst van de proteïnen.”

„En het is calorie-arm!” zegt mijn broer verheugd, die net als de rest van de familie chronisch op dieet is. „Kijk nou: over het algemeen bevat mensenvlees 327 calorieën per pond! Dat is niets! Wauw,” zegt hij al doorscrollend, „het zit tjokvol fosfor, zink, ijzer en magnesium. Om nog maar te zwijgen over die idioot hoge concentraties vitamine B6 en B12. En het schijnt goed te zijn voor je ogen en je immuunsysteem.”

„Wat het helemaal ideaal maakt,” zeg ik (inmiddels mijn eigen smartphone erbij als souffleur), „is dat je zelden allergisch bent voor mensenvlees want je bestaat er immers zelf uit.”

„Misschien had ik mijn placenta’s toch moeten opeten”, zegt mijn zus teleurgesteld.

„Ja, dat was het goedkoopst geweest,” zegt mijn broer, die alweer drie zoekopdrachten verder is, „want als je het omrekent is mensenvlees ziek duur. Een kind heeft tegen de tijd dat het achttien is ruim een half miljoen euro gekost.”

„Dat maakt het ook wel weer exclusief”, mompelt mijn zus.

En opeens dringt tot ons door dat we de aanwezigheid van mijn neefje een beetje vergeten waren. Hij staat nog steeds in de deuropening, bleek en ook een beetje boos.

„Joh,” zegt mijn zus, die haar kind op schoot trekt en knuffelt, „schatje toch. Dat zouden we nooit doen.” Mijn neefje begraaft zijn gezicht in haar hals.

„En Wikipedia zegt dat dieren hun jongen alleen opeten als het kroost van slechte kwaliteit is”, voegt mijn broer eraan toe. „Dus zolang je ons niet teleurstelt, hoef jij je nergens zorgen over te maken.”

Ellen Deckwitz heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.