Column

Kus op dode mond doet leven

De politie-inspecteur (Gael García Bernal) in ‘Neruda’.

21 december 1937: ‘Snow White and the Seven Dwarfs’ van Walt Disney ging in première. Oftewel: gisteren was het 79 jaar geleden dat de wereld een tikje kantelde. Bekijk ’m nu en bedenk dat je iets ziet wat tot dan toe niet bestond. Animatie heette tekenfilm en was iets voor grapjes. Het was ook het filmgenre waar kunstenaars ongestraft hun wildste verbeelding op los konden laten – denk alleen al aan Betty Boop (van Disneys concurrent Max Fleischer) en haar dolgedraaide avonturen. Alles wordt geaccepteerd omdat het ‘maar tekenfilm’ is. De brille van Disney was dat hij dat doorhad: als álles kon, nou, dan ook een getekende speelfilm. Een film die vasthield aan het surrealisme, met pratende theepotjes en zingende eekhoorns en zo. Maar daarbij moest hij een doorlopend verhaal vertellen, met jaloezie en moord als angstaanjagende ondertoon. En die film zou alleen geslaagd zijn als het lukte het publiek echte tranen te laten huilen om getekende figuren.

Disney bedenkt het, de genieën aan zijn tekentafels voeren het uit. Sneeuwwitje is in één klap goed. En ja, er wordt gehuild. Van verdriet om de rouwende dwergen. Dan van vreugde omdat een meisje de dood overwint. Want in tegenstelling tot het oorspronkelijke sprookje, waar Sneeuwwitje geneest doordat het hapje giftige appel uit haar keel schiet, voorziet Disney in een volwaardige wederopstanding. Ze sterft. Ze wordt op haar dode mond gekust. Ze herleeft. En we geloven het allemaal.

Kunst doet leven.

In de magisch-realistische filmthriller Neruda van Pablo Larraín (de Chileense filmer die niet in staat is tot slechte films, ik snak naar zijn nieuwste, de Jackie Kennedy-biopic) ligt een doodgeschoten politie-inspecteur in zijn kist. Hij stierf in de sneeuw. Zijn gezicht is bevroren. Hartstikke dood. Maar hij opent zijn ogen en boort zijn blik in de onze (het helpt dat Gael García Bernal hem speelt). Hij leeft voort, of liever, hij leeft opnieuw, doordat Pablo Neruda hem opneemt in zijn gedichten. Neruda is het communistische prooidier dat de autoriteiten verleidt tot genadeloze achtervolging. Maar we zijn in Chili, het is 1948, en de dichtkunst ondergraaft de dictatuur. De dichter is God. Hij herschept de inspecteur: „Ik droom van hem en hij droomt van mij.” De politie-inspecteur verliest. Hij leeft verder – als een creatie van Neruda.

Voor het Joods Historisch Museum in Amsterdam bouwde theatermaker Steef de Jong een verrukkelijk tureluurse animatie-installatie ter ere van de honderdste verjaardag van illustratrice Fiep Westendorp (1916-2004). Van Floddertje tot en met allerlei typische Fiep-meneren en -mevrouwen, iedereen kachelt voorbij. En haar vogeltjes en poezen. En haar bootjes, Fiep-boten verdienen extra studie, maar dat is een ander verhaal. Tot slot arriveert Fiep zelf, op een Fiep-olifant. Ze wuift.

Hoe kan dat? „Jij bent toch dood?” Haar antwoord: „Ja, nou èn?” Inderdaad. Nou en. Dood is weliswaar dood, maar niet weg. Steef de Jong zoent Fiep tot leven.

Fragment van de installatie in het Joods Historisch Museum: