Column

Het IMF had Lagarde moeten laten gaan

Wat te denken van Christine Lagarde? De oud-minister van Financiën van Frankrijk werd maandag door een rechtbank veroordeeld zonder straf voor nalatigheid bij het compenseren van zakenman Bernard Tapie. Het betrof hier een nogal complexe zaak die speelde in 2008. Toen kreeg Tapie van het Franse ministerie van Financiën ruim 400 miljoen euro. Dat was een vergoeding voor de manier waarop Tapie begin jaren negentig zei te zijn benadeeld door (destijds) staatsbank Crédit Lyonnais bij zijn verkoop van Adidas.

De compensatiedeal veroorzaakte grote opschudding in Frankrijk, temeer omdat Tapie werd gezien als een belangrijke supporter van de net aangetreden president Sarkozy. De verse minister Lagarde lette niet goed genoeg op bij het accorderen van de deal, zo luidde maandag het vonnis. Zij gaat niet in beroep. De zaak drukt al jaren als een zware steen op de baan waarin ze het volgens velen uitstekend doet: directeur van het Internationaal Monetair Fonds. Dat IMF liet zich na de uitspraak onmiddellijk horen. De raad van bestuur, waarin ook de tandem Nederland/België zat, had en hield alle vertrouwen in Lagarde.

Maar hoe geloofwaardig kun je nog zijn als IMF-directeur, als je anderen terecht moet kunnen wijzen, adviezen moet geven of op zijn minst een moreel appèl moet kunnen doen voor goed bestuur? Of dat nu het macro-economische management van een land, maatschappelijke gelijkwaardigheid of de financiële stabiliteit betreft.

Kijk eens naar de laatste publicaties van deze organisatie: Ongelijkheid en groei: een heterogene benadering. Strookt dat met een omstreden betaling van 400 miljoen aan een miljardair? Of het IMF-rapport over El Salvador van afgelopen dinsdag. Daarin wordt het land opgeroepen tot: „grotere transparantie bij de overheid en staatsondernemingen”. Als je zelf veroordeeld bent wegens een gebrek aan overheidstransparantie bij een zaak die een staatsonderneming betreft, dan word je kwetsbaar. Want wie ben jij dan?

Toen in 1944 de Wereldbank en het IMF werden opgericht, maakten de VS en de Europeanen de informele afspraak dat de Wereldbank zou worden geleid door een Amerikaan en het IMF door een Europeaan. Al twintig jaar klinkt, bij elke wisseling van de wacht, vanuit de opkomende landen de roep om een niet-Europeaan aan het roer van het IMF. De wereld is immers veranderd. Over een jaar of vijf zijn opkomende landen en ontwikkelingslanden goed voor de helft van de wereldeconomie.

Het IMF zou dat moeten weerspiegelen, maar telkens weet Europa het zo te draaien dat het toch nog, voor één keertje maar, de directeur levert. Om met de heilige Augustinus te spreken: „Heer, geef mij kuisheid, maar nu nog even niet.” Lagarde voerde dit jaar gewoon campagne voor haar herbenoeming, ondanks alle mooie woorden over de representativiteit van het IMF. Ging het hier soms óók om een informeel Frans recht? Van de 53 jaar sinds 1963 kwam er maar liefst 42 jaar een IMF-directeur uit Frankrijk. 80 procent dus.

Er zijn prima kandidaten uit opkomende landen. De Indiër Raghuram Rajan, of de Singaporees Tharman Shanmugaratnam. Misschien dachten de Europeanen dat kandidaten uit opkomende landen die integere taak niet kon worden toevertrouwd? Zwak argument, vandaag de dag.

Wil het IMF niet, zoals de Wereldbank, een door China gedomineerde concurrent krijgen, dan is het tijd een directeur uit Azië te benoemen. Als het bestuur maandag meer moed had gehad, dan was dit een prima gelegenheid geweest.

Maarten Schinkel schrijft over macro-economie en de financiële markten.