Column

Herken jij dat?

‘Het zit mij niet mee, de laatste tijd”, zei de bejaarde kennis, die enkele boeken kwam terugbrengen die hij van mij geleend had. „Wie wel?” had ik bijna gevraagd, maar ik hield het voor me, want dergelijke relativeringen worden zelden op prijs gesteld.

Hij nam zuchtend in mijn beste stoel plaats terwijl ik een kop koffie voor hem ging maken. „Als het niet te veel moeite is”, mompelde hij me nog achterna. Toen ik terugkwam, zat hij in het boek te bladeren dat ik juist aan het lezen was. „Dat lijkt me ook wel wat”, zei hij.

Ik zette zijn koffie op het tafeltje naast hem en nam tegenover hem plaats. „Vertel”, zei ik.

„Er zijn van die kleine dingen waaraan je merkt dat je oud begint te worden”, zei hij.

Ik deed alsof ik geen flauw idee had wat hij bedoelde en zakte licht achterover in de luisterstand.

„Ik moest gisteren naar het ziekenhuis”, zei hij. „Niks bijzonders, een controle. Ik vertrok in het spitsuur, waardoor ik in de metro moest staan. Die puilde uit, vooral met jonge mensen die allemaal naar hun werk moesten. Nu voel ik me nog behoorlijk fit, dus een poosje staan doet mij geen kwaad. Halverwege kwam er een Engels echtpaar, dertigers, binnen. De vrouw kon gaan zitten toen iemand uitstapte, maar ze aarzelde. Ze keek naar haar man die weer naar mij keek en op de zitplaats wees. Het overkomt me zelden; ik zie vaak dat buitenlandse toeristen het oudere mensen aanbieden, Nederlanders zijn minder attent. „No, thank you”, zei ik haastig, hoewel we nog een kwartiertje voor de boeg hadden.”

„Je werd in je ijdelheid gekwetst”, zei ik.

„Ik voelde een soort schaamte”, zei hij, „schaamte omdat ik zo’n vriendelijk aanbod afwees, maar ook schaamte over mijn lijf dat er kennelijk lang niet zo fit uitziet als ik hoop. Ik schaamde me zó dat ik bij de volgende halte maar uitstapte, alsof ik die mensen wilde suggereren: ik moest er toch zo uit. Ik heb toen op de volgende metro gewacht.”

„Mensen begaan moorden uit schaamte”, troostte ik.

Het was alsof hij een zekere scepsis in mijn woorden hoorde, want hij stoomde meteen door naar zijn andere ervaringen. „In het ziekenhuis moest ik me aanmelden bij een apparaat, hoewel vijf meter verderop twee medewerkers achter de balie zaten. Het lukte niet. Ik moest een ziekenhuiskaartje met een barcode voor dat apparaat houden, maar er gebeurde niks. Toen liep ik maar naar de balie om me aan te melden. Die vrouw keek me meewarig aan. Weer zo’n ouwe lul die er niets van begrijpt, zag je haar denken. Ze pakte zuchtend mijn kaartje aan en zei: ‘Gaat u maar zitten.’”

„Coulant toch?”

Hij schudde zijn hoofd. „Vernederend. Vooral als even later een jonge bezoeker fluitend zijn kaartje voor het apparaat houdt, waarna een of andere ticket triomfantelijk tevoorschijn floept.”

Hij naderde de climax van zijn anticlimax. „De dokter komt me halen: een jonge vrouw met een vriendelijk gezicht dat me onbekend voorkwam. Ik denk: jammer, kennelijk een vervanger. Pas als ik haar naam op de deur zie, besef ik dat het dezelfde dokter van twee maanden geleden is. Vreselijk! Herken jij dat?”

„Welnee”, zei ik, „ik blijf eeuwig jong.”