Wetenschappers zijn kritisch over RIVM-rapport kunstgras

RIVM-onderzoek

Ondanks de geruststelling van het RIVM over het risico op kanker bij sporten op kunstgras, plaatsen wetenschappers enkele kanttekeningen.

Een medewerker van Vereniging Band en Milieu verzamelt rubberkorrels op een voetbalveld van kunstgras van voetbalvereniging Roda 23. De korrels worden op het laboratorium van de brancheorganisatie getest op de aanwezigheid van kankerverwekkende stoffen. Foto ANP / Koen van WEel

Laat uw kinderen maar weer gewoon op de kunstgrasvelden voetballen. De rubberkorrels die daarin gebruikt worden als vulmateriaal vormen geen bedreiging voor de gezondheid. Met die conclusie van een onderzoeksrapport dat dinsdag verscheen hoopt overheidsinstituut RIVM alle ongerustheid over schadelijke stoffen in de velden te hebben weggenomen.

Hoe denkt de wetenschap daarover? „Ik heb grote waardering voor het in zo’n korte tijd uitgevoerde onderzoek van het RIVM”, zegt Martin van den Berg, hoogleraar toxicologie van de Universiteit Utrecht, die ook in de wetenschappelijke klankbordgroep van het RIVM zat op dit dossier. „Het geeft voor een belangrijk aantal individuele zorgwekkende stoffen – zoals ftalaten, bisfenol A, metalen en PCB’s – meer duidelijkheid of er een mogelijk risico is voor gebruikers van deze kunstgrasvelden. Terecht constateert het RIVM dat een relatie met leukemie en lymfeklierkanker met de huidige kennis niet voor hand ligt.”

„Ik ben verheugd te lezen dat de berekende blootstelling vele malen kleiner is dan de veilig geachte blootstellingsgrens”, reageert ook Jan Tytgat, hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Leuven. Daarmee is de grootste angel eruit, maar zowel Van den Berg als Tytgat heeft nog kritiek op details.

Onderzoekers van het RIVM constateerden dat de stoffen uit de rubberkorrels onder laboratoriumomstandigheden slechts in zeer beperkte mate in kunstmatig zweet of een gesimuleerd maagdarmstelsel terechtkwamen. Daaruit concluderen zij dat sporters in de praktijk weinig aan deze stoffen blootstaan door huidcontact met de korrels of door het per ongeluk inslikken ervan. Ook de blootstelling door inademing van vluchtige stoffen uit deze korrels, zoals zich op het veld bij zonnig en warm weer zou kunnen voordoen, is heel beperkt. Opgeteld zouden met deze blootstellingsniveaus voor PAK’s (polycyclische aromatische koolwaterstoffen, kankerverwekkende stoffen) ongeveer één op de miljoen mensen die hun leven lang veldspeler zijn daadwerkelijk kanker kunnen krijgen. Zulke risico’s op een heel mensenleven zijn zo klein dat het volgens het RIVM verantwoord is om het als ‘praktisch verwaarloosbaar’ te beschouwen.

Maar Van den Berg heeft nog wel „kanttekeningen” hierbij: „Om de risico’s in te schatten maakte het RIVM gebruik van proefdierstudies die de kankerverwekkendheid van PAK’s vanaf de puberteit tot het einde van het leven bestudeerden. Andere proefdierstudies laten echter zien dat blootstelling aan PAK’s in de kindfase de kans op tumoren in het latere leven aanzienlijk verhoogt.”

Bovendien is niet uit te sluiten dat er opteleffecten zijn van schadelijke stoffen in het rubber, zegt Van den Berg. „Rubber is een zeer complex mengsel waarvan we eigenlijk nauwelijks weten of er mengsel-effecten optreden. Op basis van beperkte informatie weten we echter wel dat sommige metalen in combinatie met PAK’s de schade aan het DNA kunnen verdubbelen, en daarmee dus het risico op tumorvorming.”

Ook Tytgat ziet nog punten waarop het gezondheidseffect kan zijn onderschat: „Ten gevolge van wrijving kan er meer uit het rubber vrijkomen, wat bijvoorbeeld optreedt door een sliding bij het voetballen. En wat gebeurt er bij schaafwonden? Men kan verwachten dat er via de beschadigde huid meer contact is met de stoffen dan via de intacte huid.”

Van den Berg vindt daarom dat er ruime veiligheidsmarges genomen moeten worden.„Bij de risicoschatting voor kinderen moet het voorzorgsbeginsel prevaleren.”