Column

Wachten op de grote knal

Met een groepje studenten geschiedenis viert mijn dochter in een Amsterdamse lunchroom de verjaardag van een vriendin. Dan komt het bericht binnen van de aanslag op de Russische ambassadeur in Ankara. Stilte. „Dit is de Franz Ferdinand van de 21ste eeuw”, zegt mijn dochter, verwijzend naar de moord op de Oostenrijkse aartshertog in Sarajevo die de aanleiding vormde voor de Eerste Wereldoorlog. De anderen grinniken. Als de studenten één ding ingeprent hebben gekregen, is het dit: de geschiedenis herhaalt zich níét. En toch is het een vergelijking die ik die avond nog twee of drie keer hoor, Franz Ferdinand. En er zit een soort verlekkering in.

Bij een kerstborrel vorige week zei een schrijfster: „Je wacht toch de hele tijd op die ene vonk in het kruitvat.” Ze zei daar bijna naar te verlangen.

Inmiddels zijn we drie aanslagen verder. „Het dreigingsniveau in Duitsland blijft gelijk”, twitterde NOS-correspondent Jeroen Wollaars dinsdag. „Het risico is realiteit geworden.” Op de vraag of er oorlog komt, hoor ik Geert Mak op tv antwoorden dat oorlogen meestal onvoorstelbaar zijn. „Dat zie je in de hele geschiedenis, maar ze vinden plaats ja.”

Ik drink mijn glas water in de ochtend zoals ik dat altijd doe. Ik plak mijn band, zonder dat ik aan terreur denk. Tot de volgende aanslag. En met elke aanslag schroeft terreur de verwachtingen op, ook de bange verwachtingen.

Met elke aanslag schroeft terreur de verwachtingen op, ook de bange verwachtingen

Als je wacht, wil je maar één ding: dat het wachten voorbij is. Wachten is passief. Wachten veroorzaakt onmacht, terwijl je grip wilt, controle.

Ik spreek een vrouwelijke reservist uit Biddinghuizen, een sergeant eerste klasse, een van de drieduizend. Ze traint twee avonden en een zaterdag per maand. Zij rukt uit bij rampen, ongelukken en als plaatsvervanger wanneer beroepsmilitairen zijn uitgezonden. Haar leven bestaat uit wachten, zegt ze, terwijl ze militair werd voor de actie.

Ik denk aan de reconstructie die Wubby Luyendijk en Enzo van Steenbergen een paar weken geleden in NRC maakten van de uitzending van Appie naar Afghanistan. Hij hoopte er zelf een bermbom te vinden, maar hoezeer hij ook zocht, hij vond er niet één. „Zoals een brandweerman zijn eerste brand wil blussen, zo wilde Appie een bom vinden en onschadelijk maken”, zei zijn pelotonsleider. Naar alle waarschijnlijkheid liet hij toen zelf een granaat ontploffen in zijn pantservoertuig.

Appie bleek een moordenaar te zijn, maar zitten we niet allemaal verschanst in onze NAVO-schuttersputjes te wachten op iets groots en meeslepends? „Je wordt naar het gevaar toegetrokken”, zei de schrijfster die naar de vonk in het kruitvat verlangde. „Er moet eens iets gebeuren”, en ze fietste weg.

Jutta Chorus (@juttachorus) schrijft op deze plek een wisselcolumn met Tom-Jan Meeus.