Minder goed in rekenen? Dat is ook een keuze

Nederlands Onderwijs

Nederlandse scholieren zijn slechter geworden in wiskunde. Logisch, zeggen onderwijsdeskundigen. Als je kennis minder belangrijk vindt, moet je niet boos zijn als je daar minder op scoort.

Getty

Wiskunde en rekenen gaan in Nederland gestaag achteruit, signaleerden twee internationaal vergelijkende onderzoeken onlangs. Zorgelijk? Hoho, niet te snel, reageren de specialisten, we weten nog niet wat dat betekent. Laat het ons eerst onderzoeken. En er is toch al het nodige ondernomen om wiskunde en rekenen te verbeteren?

De verminderde prestaties zijn vastgesteld door gezaghebbende organisaties. Zo registreerde het Pisa-onderzoek van de OESO, de organisatie van rijke landen, dat 15-jarigen al sinds 2003 gestaag minder presteren in wiskunde. Dat is meer dan een trendje. En dan is er het toonaangevende Trends in International Mathematic and Science Studies (Timss), van een internationale groep onderwijskundige onderzoeksinstituten. Timss laat zien dat 8-jarigen sinds 2005 steeds minder goed kunnen rekenen. Nederland zakte op de ranglijst van vijftig landen naar de 19de plaats.

Hoe dat komt? „We weten het niet”, zegt Marian Hickendorff, universitair docent onderwijsstudies in Leiden. „Maar de patronen zijn hetzelfde in beide studies.”

Geruststellend is dat Nederlandse scholieren in rekenen en wiskunde wel nog tot de internationale subtop behoren. Toetsinstituut Cito heeft in zijn nationale peiling zelfs geen daling kunnen constateren. Mogelijk verslechterde de score in het Pisa-onderzoek doordat de opgaven voor het eerst niet meer op papier werden gemaakt, maar digitaal. Het gemiddelde wiskundeniveau in de OESO nam in ieder geval af. Niettemin: in Nederland daalde het sneller. Voor staatssecretaris Dekker (Onderwijs, VVD) is dat reden tot zorg.

Het toetsinstituut Cito heeft wel een mogelijke verklaring: de „recente nadruk in het onderwijs op basale vaardigheden” gaat ten koste van de wiskundeles op de middelbare school. Bijspijkeren is nodig.

De kritiek blijft

Teruglopende rekenprestaties leidden in 2007 tot politieke ophef. Leerlingen bleken in het vervolgonderwijs basisvaardigheden voor rekenen te missen. Daarom voerde het middelbaar onderwijs rekentoetsen in; op het vwo tellen die mee voor het eindexamen. Maar de kritiek is niet verstomd. De opgaven in de vorm van verhaaltjes, deels met rekenmachine op te lossen, toetsen volgens deskundigen te veel het taalvermogen en te weinig het echte rekenen. Op verzoek van de Tweede Kamer wordt nu met hulp van de Nederlandse Vereniging van Wiskundeleraren een nieuwe toets ontworpen.

Ook op de basisschool en de pabo, de opleiding voor leerkrachten basisonderwijs, bleek rekenen een probleem. Het rekenniveau van de afgestudeerden aan de pabo was te laag, constateerde een commissie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen in 2009. Sindsdien moeten paboleerlingen die van de havo en het mbo komen in het eerste jaar een rekentoets doen. De jongste lichtingen onderwijzers rekenen inmiddels beter.

Goede docenten – die zijn volgens de KNAW van groter belang dan de gebruikte lesmethode. Maar hoe kom je aan docenten met het vereiste niveau? Middelbare scholen hebben te weinig bevoegde docenten wiskunde, en dat is niet alleen zo in Nederland. Ook bedrijven hebben graag wiskundigen, zeker nu de economie aantrekt. Volgens de laatste nationale telling wordt een op de vijf wiskundelessen gegeven door een niet-bevoegde; het vmbo scoort hier nog wat slechter dan havo en vwo.

Intussen verandert ook de definitie van ‘bevoegd’. De hoogste klassen van het vwo vragen om eerstegraads wiskundeleraren. Vroeger betekende dat: universitair opgeleid. Nu heeft ook het hbo een opleiding voor eerstegraadsdocenten.

Jan Karel Lenstra maakt daar kanttekeningen bij. De emeritus hoogleraar wiskunde en oud-voorzitter van de KNAW-commissie die het rekenonderwijs bekeek, ziet „een forse kloof tussen de hbo-eerstegraads en de universitair gevormde leraar”. Hij heeft meer kritiek op het docentenniveau. „Ook de kennis van tweedegraadsleraren moet omhoog”, zegt hij. „En er moet meer aandacht worden besteed aan nascholing en certificering.”

Wiskundeleraar Swier Garst, tevens voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Wiskundeleraren, is het met Lenstra eens. „Er is een enorm verschil tussen het abstractieniveau in wiskunde waarmee een TU-student wordt opgeleid en het abstractieniveau voor een docent van het hbo. Ik vind het een wonder dat er op het vwo mensen voor de klas staan die nooit een universiteit hebben gezien.”

Ook Garst vindt dat leraren beter moeten worden bijgeschoold. Op dat front scoort Nederland niet hoog in internationale vergelijkingen. Hij hoopt dat het naderende verplichte lerarenregister, dat diploma’s en bijscholing bijhoudt, daar verbetering in brengt.

Keuzes maken

De Vlaamse pedagoog en onderwijskundige Pedro De Bruyckere, van de Arteveldehogeschool in Gent, koppelt de wiskundeprestaties aan keuzes in het onderwijsbeleid. „Als je zegt dat kennis minder belangrijk is, kun je je niet kwaad maken als je daar dan ook minder op scoort. Dan moet je iets anders kiezen.”

Vlaanderen scoort in rekenen en wiskunde gemiddeld beter dan Nederland, maar kent ook grotere onderlinge verschillen. Vlaamse leerlingen met een lage sociaal-economische status komen minder goed mee dan Nederlandse, maar Vlaanderen telt meer „excellente” leerlingen.

De Bruyckere wijst erop dat internationaal vergelijkend onderzoek niet alles zegt. „De bijlesindustrie in onder andere de Aziatische landen wordt vaak over het hoofd gezien. ”

Dat Nederland nu aan een nieuw curriculum werkt voor het middelbaar onderwijs – met meer aandacht voor persoonsvorming, digitale geletterdheid en burgerschap – garandeert niet automatisch verbetering in wiskunde. De Bruyckere: „Wat erbij moet, is meestal gemakkelijk. Maar wat gaat er dan af?”

    • Maarten Huygen