Column

Literaire roem

Op een kille morgen stond ik te neuzen in een boekenstalletje op het Waterlooplein. Het was meer uit gewoonte dan uit begeerte, want ik wist dat thuis nog genoeg ongelezen boeken lagen te wachten waarmee ik de rest van mijn leven kon doorbrengen.

Opvallend veel boeken lagen te koop op tafels met het bordje „1 voor 1 euro, 3 voor 2,5 euro”. Er waren goede, ongelezen boeken bij, romans van Henk Romijn Meijer, Hella Haasse en Cees Nooteboom. De koopman scharrelde onrustig tussen zijn tafels, af en toe een stapel boeken verplaatsend terwijl hij riep: „Eén euro! Eén euro!”

Ik bleef hangen bij een boekje dat ik niet kende: Literaire roem van Geerten Meijsing. Het bleek de tekst van zijn Albert Verwey-lezing in Leiden uit 2004. Al bladerend stuitte ik op deze boze passage: „Ik heb gezien hoe onbenullen en nitwits in één keer op de Parnassus gehesen werden, hoe grote oeuvres stelselmatig genegeerd werden en vergeten, hoe het publiek, immer in aanbidding voor de Mammon, zich altijd laat bedriegen en de schijthoop van de duivel voor kaviaar en ambrozijn slikt. En ik begreep het niet.”

Mooi geformuleerd, maar het leek me wel uit de pen te komen van een schrijver die niet helemaal tevreden was over de verkoop van zijn eigen boeken.

Terwijl ik verder bladerde, liep een man het stalletje binnen. Het was een veertiger met de energieke uitstraling van iemand, die van huis was gegaan met het voornemen die dag in ieder geval één nuttige daad te verrichten.

„Goedemorgen!” riep hij naar de verkoper, die mompelend reageerde. „Ik heb een vraag. Mijn moeder is een maandje geleden overleden, zij was een vrouw die erg van lezen hield. Nu ben ik haar huis aan het uitmesten, wat een hele klus is, want zij bezat veel boeken, goede boeken, vooral literatuur. Romans van alle groten, zal ik maar zeggen. Heeft u er belangstelling voor?”

De verkoper keek hem aan alsof hij een voorstel had gekregen dat een noodlottige wending aan zijn leven kon geven. „Dat ligt eraan”, zei hij.

„Waaraan?”

„Nou, hoe die boeken eruitzien.”

„Pico bello”, zei de man, „mijn moeder was erg zuinig op haar boeken, ze leende zelden iets uit, ze maakte ook nooit aantekeningen in haar boeken. Wat dat betreft zijn ze zo goed als nieuw. Ik zou ze ook graag zelf houden, maar ik woon tegenwoordig bij mijn vriendin in, en die heeft geen plaats. Ik heb al een selectie gemaakt en verouderde boeken weggegooid.”

„Hoeveel is het?”

„Vijf, zes dozen. Wilt u ze zelf komen ophalen?” Hij noemde de woonplaats van zijn moeder. Pas daarna kwam hij met die vervelende vraag die elke aspirant-verkoper zo lang mogelijk uitstelt: „Wat geeft u ervoor?”

De boekverkoper zuchtte. „Dan moet ik ze eerst zien. Laat ik het zo zeggen: als u veel vraagt, doe ik het niet, en als u weinig vraagt doe ik het wél.” Hij wees om zich heen naar de bordjes op de tafels met de bescheiden bedragen. „U ziet het: deze handel stelt niet meer veel voor.”

De man knikte. „De mensen zijn tegenwoordig blij dat ze thuis geen boekenkasten meer hebben.”

Ze maakten een afspraak, waarna ik het boekje van Meijsing aan de verkoper liet zien.

„Eén euro”, zei hij.

Frits Abrahams schrijft elke week een column