Ex-KPN-topman koopt Fonq

Overname webwinkel

Hij verdiende miljoenen met Fox-IT en Wehkamp. Nu koopt Ad Scheepbouwer een hippe webwinkel die hij door en door kent.

Ad Scheepbouwer (1944). Foto ANP

Webwinkel Fonq wordt overgenomen door voormalig KPN-topman Ad Scheepbouwer. Daarmee komt de webwinkel met hippe huishoudartikelen weer terug in oude handen. Scheepbouwer koopt Fonq namelijk van Wehkamp-moederbedrijf RFS, de firma die hij en twee mede-ondernemers vorig jaar voor 450 miljoen euro verkochten aan de Britse private-equityreus Apax.

Hoeveel Scheepbouwer met zijn investeringsmaatschappij AJS voor Fonq neerlegt is maandag niet bekendgemaakt. Recente omzetcijfers van Fonq ontbreken eveneens. In het laatst beschikbare jaarverslag over de periode 2014-2015 was Fonq goed voor een jaaromzet van 60 miljoen euro en groei van bijna 30 procent.

Het zou niet voor het eerst zijn dat Scheepbouwer (1944) slim instapt. Hij verdiende vorig jaar niet alleen tientallen miljoenen aan de verkoop van RFS. Met de verkoop van cybersecurityfirma Fox-IT, waar hij in 2012 een belang in nam, verdiende hij 40 miljoen euro. Quote schat zijn vermogen inmiddels op 230 miljoen euro.

Scheepbouwer stond van 2001 tot 2011 aan het hoofd van KPN. Het maakte hem de enige bestuursvoorzitter van een AEX-fonds zonder titel. Na de mulo ging Scheepbouwer op 16-jarige leeftijd werken op een vrachtschip van Lloyd. Daarna klom hij via onder andere chemiebedrijf DuPont en containervervoerder Sealand omhoog tot topman van staatsbedrijf PTT Post. In 2001 werd hem gevraagd om KPN ‘te redden’. Hij reorganiseerde er drastisch en liet het bedrijf binnen korte tijd weer winst maken.

Dit voorjaar maakte Scheepbouwer bekend zelf zo’n 100 miljoen te gaan investeringen in Nederlandse datacentra. Daar ziet hij veel potentie omdat bedrijven nu eenmaal veel data moeten verwerken. Potentie ziet hij ook bij Fonq, zo blijkt uit het summiere persbericht van maandag. Volgens Scheepbouwer is de „e-commerce markt nog niet volwassen” en heeft Fonq alle ruimte om „te groeien”.

    • Camil Driessen