Opinie

    • Maxim Februari

Er zijn van die dagen waarop alles zachter is

Opeens is alles zachter. Dat kan komen doordat je hebt besloten je haar in het vervolg te wassen met motorolie. Het kan aan het weer liggen. Het kan eruit voortvloeien dat de eenentwintigste eeuw een eeuw van bijwoorden is; zoals de twintigste eeuw in het teken stond van het zelfstandig naamwoord en de negentiende eeuw van het werkwoord. Het kan sentimentele onzin zijn. Maar hoe dan ook, er zijn van die dagen waarop alles zachter is.

De zachtheid brengt onverwacht een gedicht van Gottfried Benn in herinnering. Des te onverwachter omdat Benn zo’n harde dichter is geweest. Geboren in 1886 en gestorven in 1956, als Duitse volwassene twee wereldoorlogen meegemaakt. In het dagelijks leven arts van de aanpakkerige soort, arts voor huid- en geslachtsziekten, en in de avonduren schrijver van volwassen lijkenhuisgedichten en plastische rottingspoëzie. In zijn populaire gedicht ‘Schöne Jugend’ wordt het lijk van een jonge vrouw gevonden in het riet. De patholoog breekt haar borstkas open en vindt onder haar middenrif een nest ratten dat haar lichaam in gebruik heeft als feestmaal.

Nu zou dat beeld van die ratten in sommige periodes van de geschiedenis misschien komisch hebben gewerkt. Maar het proces van de beschaving is een proces van toenemende Berührungsangst: sinds de opkomst van de hygiëne kan een lezer gemakkelijk schrikken van gedichten over ontbinding, rotting en ratten in je borstkas. Alleen dichters zijn nooit zo teerhartig. De dichter Benn laat zien dat het leven eeuwig voortraast in sublieme gruwelijkheid. En dan komt hij dus opeens met een zacht gedicht. Over mensen die schuchter zijn. Die geen aandacht vragen en niet zo luidkeels spreken als de rest. ‘Menschen getroffen’ heet het. Ik heb mensen ontmoet, schrijft Benn, die, als je ze naar hun naam vroeg, schuchter – alsof ze niet ook nog eens aanspraak durfden te maken op een naam – ‘Juffrouw Christian’ antwoordden, en dan: ‘zoals de voornaam’; ze wilden de ander het inprenten vergemakkelijken. Geen moeilijke naam zoals ‘Popiol’ of ‘Babendererde’ – ‘zoals de voornaam’. ‘Alstublieft, belast uw herinneringsvermogen niet!’

Allemaal ironie, natuurlijk, zeggen de wereldwijze commentatoren. Benn kon het onmogelijk echt menen met zijn bewondering voor de bescheiden mens. Gottfried Benn, de grote kunstenaar met zijn afkeer van het burgerlijke leven. De arts met zijn doortastende bloed- en pijnpoëzie. De man is een Nietzschelezer, godbetert, een echte hardboiled intellectueel die je niet aan boord moet komen met zoiets tuttigs als timiditeit.

Maar ja, lees verder en er lijkt toch onmiskenbaar een soort van tederheid in het gedicht door te klinken. Ik heb mensen ontmoet, schrijft Benn, die met hun ouders en vier broers en zusters in één kamer opgroeiden en die ’s nachts, met hun vingers in hun oren, aan het fornuis hun huiswerk maakten. Hij voegt er nog aan toe hoe mooi en ladylike die mensen waren. Hoe zacht ze van binnen waren. Het woord ‘engel’ komt eraan te pas.

Misschien raken doorgewinterde cynici er zo nog steeds niet van doordrongen dat Benn het meent. De man is een Nietzschelezer, godbetert, en kijk eens wat Nietzsche doet met tere dingen. Als Schopenhauer herinnert aan het adagium dat je niemand schade mag toebrengen, hoont Nietzsche hoe uitgekauwd dat adagium is. ‘Abgeschmackt – falsch und sentimental.

Geen schade? Schuchterheid? Aan het fornuis huiswerk maken? Benn moet zich er wel op dezelfde manier vrolijk over maken als Nietzsche die spot ‘dat Schopenhauer, ofschoon pessimist, eigenlijk – fluit speelde… dagelijks, na het eten: men leze hierover zijn biograaf. En terloops gevraagd: een pessimist, een God- en wereldontkenner, die zwicht voor de moraal, die ja zegt tegen de moraal en fluit speelt, tegen de berokken-niemand-schade-moraal, wat?, is dat eigenlijk – een pessimist?’ En, denkt de doorgewinterde lezer nu, terloops gevraagd, waren Nietzsche en Benn niet eigenlijk fout in de oorlog? Of hoe zat dat ook weer precies?

Jawel, het leven raast voort in zijn gruwelijkheid en we hebben allemaal een pak ratten in onze borstkas die pijnlijk knagen aan ons hart. Maar op sommige dagen zijn de grenzen tussen hardheid en zachtheid, tussen ongeloof en geloof, niet duidelijk te trekken en heel makkelijk te overschrijden. Dan ontmoet je bescheiden mensen die hun huiswerk doen met hun vingers in hun oren. Ik heb me vaak afgevraagd, besluit Benn zijn gedicht, en er geen antwoord op gevonden, waar het zachte en het goede vandaan komt – weet het nog steeds niet en moet nu gaan, ‘weiss es auch heute nicht und muss nun gehen’.

Wat een zonnig, zacht gedicht, denk ik vandaag. Maar dat kan ook door het weer komen.

Maxim Februari is jurist en schrijver
    • Maxim Februari