Cultuur

Interview

Interview

Latifa Ibn Ziaten, de Frans-Marokkaanse moeder van de militair Imad Ibn Ziaten die in maart 2012 in Toulouse werd vermoord door moslimterrorist Mohamed Merah.

Foto Joel Saget/AFP

‘Jullie denken: dit kan een moslim niet gedaan hebben. Maar het is echt waar’

Latifa Ibn Ziaten

Haar zoon werd vermoord door moslimterrorist Mohamed Merah. Nadat ze sprak met jeugdvrienden van de moordenaar, besloot Latifa Ibn Ziaten dat ze jongens als hen wilde helpen.

Er zitten bijna honderd scholieren van 14 en 15 jaar oud. Maar in de kantine van het Collège Paul Éluard in de arme Parijse banlieuestad Garges-lès-Gonesse kun je een speld horen vallen.

„Pas toch op, mes chers élèves”, smeekt Latifa Ibn Ziaten vanachter een rijtje tafels. „Je moet mensen wantrouwen die op Facebook opeens zeggen dat ze van je houden en dat ze je cadeaus geven. Je krijgt nooit zomaar iets.” Ze fluistert bijna door de microfoon. „Ze willen je in hun macht, ze zien dat je kwetsbaar bent en vertellen dat je in het paradijs komt. Maar echte liefde, beste leerlingen, vind je alleen bij je familie.”

Al bijna vier jaar is Ibn Ziaten op tournee door Frankrijk. Dagelijks bezoekt ze scholen in probleemwijken, gevangenissen en moskeeën om jongeren te waarschuwen voor radicalisering en onbezonnen avonturen in Syrië en Irak. De 56-jarige in Marokko geboren vrouw weet waarover ze praat. Haar zoon Imad werd in maart 2012 om het leven gebracht door Mohamed Merah, een draaideurcrimineel die in de cel was geradicaliseerd. Imad was de eerste van drie militairen die Merah vermoordde; daarna schoot hij nog drie kinderen en een vader bij een joodse school dood. Imad was dertig jaar, zeven jaar ouder dan Merah.

Allebei waren ze geboren en getogen in Frankrijk, allebei waren ze moslim. De een was soldaat en de ander werd terrorist.

„Mijn zoon was soldaat en daar was hij trots op”, vertelt Ibn Ziaten de ademloos luisterende leerlingen in staccato zinnen. „‘Ik ben militair en ik verkoop mijn motor’, had hij in een online advertentie gezet. Mohamed Merah zei dat hij geïnteresseerd was, maar dat bleek een valstrik. ‘Jij doodt mijn broeders in Afghanistan, dus nu moet jij dood’, zei hij, toen ze elkaar voor de verkoop op de afgesproken plek in Toulouse zagen. ‘Ga op je buik liggen.’ En mijn zoon, mes chers élèves, weigerde dat. Toen schoot Mohamed hem dood.”

In de schoolkantine klinkt een collectieve zucht. „Is dat wat de islam ons leert?” vraagt Ibn Ziaten retorisch. „Non madame”, repliceren de kinderen braaf in koor.

Enige met een hoofddoek

In de kantine luistert de loco-burgemeester van Garges met enkele andere lokale prominenten mee. Sinds Ibn Ziaten haar strijd begonnen is, hebben politici haar in de armen gesloten. Er zijn niet veel andere moslimmoeders die zo duidelijk van zich laten horen. De stichting die ze heeft opgezet om geheel of gedeeltelijk ontspoorde jongeren en hun ouders hulp op maat te bieden, heeft direct subsidie gekregen en ze is al met vele prijzen onderscheiden. De Financial Times schaarde haar onlangs nog tot een van de ‘Women of the Year 2016’. Discussiëren Franse politici over radicalisering of de laïcité, de strikte scheiding tussen kerk en staat, dan zit Ibn Ziaten meestal op de voorste rij.

Ze is haast altijd de enige in de zaal met een hoofddoek.

Haar missie begon veertig dagen na de begrafenis van Imad, vertelt ze in de marge van het schooloptreden. Ze reisde van haar woonplaats bij Rouen naar Toulouse om de plek te zien waar haar zoon vermoord was. „Ik heb vijf kinderen, maar met hem was ik het hechtst. Ik wilde zien of hij een boodschap voor me had achtergelaten, een briefje, een teken, iets.” Maar ze vond niets. „Ik zag alleen oude bloedsporen en moest vreselijk huilen.” Ze nam niet meteen de trein terug. Om beter te begrijpen wat haar zoon was overkomen, ging ze naar Les Izards, de probleemwijk in Noord-Toulouse waar Merah was opgegroeid. „Ik moest weten waarom iemand zoveel haat kon hebben”, zegt ze.

„Mijn zoon was goed terechtgekomen en vocht voor de republiek, terwijl Merah zich juist tegen Frankrijk had gekeerd.”

Merah zelf was na elf dagen terreur in een vuurgevecht met de politie om het leven gekomen, maar in de wijk woonden nog wel jeugdvrienden. Ibn Ziaten sprak ze op straat aan om te achterhalen waar de moordenaar van haar zoon had gewoond. „Ze moesten lachen en wezen naar een gebouw achter ze”, vertelt ze. „‘Mohamed Merah’, zeiden ze, ‘is een martelaar, een held van de islam. Hij heeft Frankrijk dagenlang op de knieën gekregen.’

Ik was verbijsterd en vroeg of ze wisten wie ze voor zich hadden. Toen ik uitlegde dat ik de moeder van het eerste slachtoffer van hun held was, begonnen ze zich te verontschuldigen. ‘Als Mohamed had geweten dat uw zoon moslim was, dan had hij zoiets nooit gedaan’, zeiden ze. Ik probeerde uit te leggen dat dat geen verschil zou moeten maken, dat je niet iemands leven afneemt, of hij nou christen, jood of moslim is.”

Maar de jongens verweerden zich met een klaagzang. „‘Kijk waar we wonen’, zeiden ze over de vervallen wijk. ‘Ziet u de ellende, we komen hier nooit weg. De republiek is ons vergeten.’ Ik begreep wel wat ze bedoelden, maar wie is de republiek? We zijn toch allemaal kinderen van de republiek? ‘Wat hebben jullie teruggegeven?’, vroeg ik ze. ‘Jullie doen niets, terwijl de republiek kansen biedt. Mijn kinderen zijn allemaal goed terechtgekomen!’”

Na dit gesprek besloot ze om juist op plekken waar mensen het niet willen horen, het republikeinse evangelie van liberté en laïcité te verspreiden. „In het mortuarium beloofde ik mijn zoon om zijn moordenaar te vinden, nu beloofde ik deze jongens om ze te helpen. Merah zal ik nooit vergeven om wat hij heeft gedaan, maar wel om wie hij is geworden.

Prachtige republikeinse boodschap

Volgens de laatste cijfers zijn in totaal 1.100 Fransen als jihadist naar Syrië afgereisd. Velen van hen zouden inmiddels op de weg terug zijn. „De islam”, legt Ibn Ziaten de scholieren in de multiculturele probleemwijk bij Parijs uit, „is geen identiteit of nationaliteit. Geloof dring je niet op. Iedereen mag geloven wat hij wil of zelfs ongelovig zijn, de laïcité beschermt ons. Heb je vragen over de islam, dan ga je naar de bibliotheek en lees je een boek. Luister nooit zomaar naar iemand die je iets vertelt. Als jullie willen slagen, als jullie vooruit willen, dan moet je zelfvertrouwen hebben. Wie wil, kan alles bereiken.”

Ze vertelt hoe ze zelf als 17-jarig meisje naar Rouen kwam om te trouwen met een Marokkaanse man die voor de Franse spoorwegen werkte. Ze kon lezen noch schrijven en sprak geen woord Frans. Maar ze moest en zou integreren in haar nieuwe land. Ze meldde zich bij een buurtcentrum en nam net zo lang les tot ze het Frans meester was. Ze werkte op scholen, als marktkoopvrouw en tot 2012 als suppoost in een museum in Rouen. „Mijn kinderen mochten niets tekort komen”, zegt ze. „Ik werkte acht uur per dag zodat ze bijles konden volgen, ze cadeautjes kregen met Kerst en we zoals iedereen eens per jaar met vakantie konden.”

Kerst? „Ja, we zijn moslims, maar religie is voor mij een privézaak”, zegt ze.

„We hebben altijd Kerst en Pasen gevierd: dat zijn feesten die bij Frankrijk horen. Die cultuur moet je aan je kinderen overbrengen. Een kind dat fysiek niet opgroeit in de cultuur van het land van zijn ouders, maar ook niet volledig in het land waar hij geboren is, hoort nergens bij. Dat is vragen om problemen.”

In haar boek Mort pour la France: Mohamed Merah a tué mon fils is ze hard over immigranten die afwezig zijn in de opvoeding van hun kinderen. „Het resultaat: aan zichzelf overgeleverde jongeren in ongezonde wijken, die psychologisch en sociaal opgesloten zijn en ervan overtuigd dat de muren tussen hen en de samenleving niet te overbruggen zijn”, schreef ze. „Mohamed Merah heeft niet het geluk gehad dat mijn kinderen hadden. Hij was in de steek gelaten, ging van weeshuis naar weeshuis en is in feite opgevoed met de wetten van de straat”, zegt ze. „Als zijn moeder van dit kind had gehouden, als er een vader was geweest, dan was het allemaal anders gelopen.”

Lees ook dit stuk van afgelopen zomer: Deze zes lessen kunnen we trekken na de recente aanslagen

Honderden keren heeft ze haar verhaal inmiddels verteld. Maar steeds weer weet ze haar toehoorders diep te raken. Niet alleen leerlingen, ook de loco-burgemeester pinkt in Garges-lès-Gonesse een traantje weg. „Wat een prachtige republikeinse boodschap”, jubelt de directeur van de school op zalvende toon. Maar als meteen daarna een lerares de leerlingen uitnodigt vragen te stellen, dringt de ernst van de zaak weer door. „Hoe weet u zo zeker dat het Mohamed Merah was die uw zoon heeft vermoord?”, vraagt een meisje uitdagend, bijna agressief. Ibn Ziaten is op de vraag voorbereid. Het is haast altijd een van de eerste vragen die islamitische leerlingen stellen, vertelt ze later. Ze antwoordt rustig:

„Omdat hij een cameraatje had en al zijn moorden en de gesprekken met de slachtoffers gefilmd heeft. Zelf durfde ik niet te kijken, maar mijn andere zoon heeft het bij de politie gezien. Jullie denken: dit kan een moslim niet gedaan hebben. Maar het is echt waar, kinderen. Het was Mohamed Merah.”