FIFA beboet Britse voetbalbonden vanwege rouwband

Elftallen van de vier Britse voetbalbonden droegen de rouwbanden op 11 november als onderdeel van een herdenking van de Eerste Wereldoorlog.

De Engelse voetballer Wayne Rooney droeg op 11 november de rouwband met de zogenoemde 'poppy' tijdens een WK-kwalificatiewedstrijd tegen Schotland. AFP PHOTO / Adrian Dennis

Wereldvoetbalbond FIFA heeft de vier Britse voetbalbonden een flinke geldboete opgelegd omdat de Britse nationale voetbalelftallen een rouwband met de ‘poppy’ oftewel klaproos er op gedragen hebben tijdens internationale wedstrijden. Dat meldt onder andere de BBC. In het Verenigd Koninkrijk wordt de poppy traditioneel op 11 november gedragen als eerbetoon aan de slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog. Volgens de FIFA is er sprake van het gebruik van een politiek symbool, en dat is tegen de regels.

De boetes worden verdeeld over de verschillende Britse bonden. Engeland krijgt een boete van 45.000 Zwitserse franc (42.000 euro) en Schotland en Wales moeten 20.000 franc betalen. Noord-Ierland krijgt het laagste bedrag voor de kiezen: 15.000 franc. FIFA had al eerder gedreigd met boetes als de Britse voetballers met rouwband zouden spelen. De Britse voetbalbonden probeerden de FIFA op andere gedachten te brengen, maar dat was tevergeefs.

Vervolgens verschenen de Britse teams tijdens vriendelijke interlands en kwalificatiewedstrijden toch met rouwband op het veld. De teams van Wales en Noord-Ierland deden dat overigens niet: zij krijgen de boete voornamelijk omdat de poppy tijdens wedstrijden nadrukkelijk in beeld was.

Supporters

De bonden krijgen de boete niet alleen vanwege de spelers. Ze zijn ook afgerekend op de supporters, waarvan er een aantal op 11 november ook de klaproos droegen. Claudio Sulser, voorzitter van de disciplinaire commissie van de FIFA, zegt tegen Reuters dat het niet de bedoeling is om landen af te straffen op tradities. “Maar de regels moeten eerlijk en neutraal worden toegepast voor elk van de 211 bonden die lid zijn van de FIFA.”

    • Len Maessen