Opinie

Een agent moet gezien willen worden

Het plan om agenten onherkenbaar in beeld te brengen, is een paardenmiddel in de strijd tegen een handjevol irritante pubers met een vlogcamera, schrijft

De Tweede Kamer nam deze week een motie aan die voorschrijft dat agenten voortaan onherkenbaar in beeld gebracht moeten worden. Het is een middel om de politie te beschermen tegen treitervloggers die voor YouTube-views (en geld) agenten aan de schandpaal nagelen.

Een kleine zoektocht op internet levert een bak video’s op waarin agenten worden vernederd („ben je een hij, een zij of een het? Ik weet het echt niet!”). Sommige van die video’s zijn ruim een miljoen keer bekeken. Je hoeft geen klinisch psycholoog te zijn, om je voor te stellen wat voor gigantische impact dat heeft op het leven van de agent en zijn familie.

Toch is de motie een paardenmiddel in de strijd tegen een handjevol irritante pubers met een vlogcamera. Het verplicht onherkenbaar in beeld brengen, het zogenaamde ‘blurren’, van agenten vormt namelijk een inbreuk op de persvrijheid en daarvan is de hele journalistiek de dupe.

De effecten van die motie blijven namelijk niet beperkt tot die paar vloggers. De NOS, RTL en PowNed zullen voortaan ook op hun hoede moeten zijn wanneer ze verslag doen van het handelen van de politie. Bovendien is het onderscheid tussen vloggers en journalisten niet altijd duidelijk. Een video waarin een bejaarde Marokkaanse man hardhandig werd aangehouden door agenten ging twee weken geleden viral en werd vertoond in actualiteitenrubrieken. Niet gemaakt door een journalist, maar wel met grote journalistieke waarde.

Bovendien komt de motie in de praktijk neer op een verbod op livestreamen van agenten. Het is namelijk onmogelijk om agenten tijdens het filmen direct onherkenbaar te maken. Daarmee druist de motie in tegen het censuurverbod. Stel dat er een demonstratie plaatsvindt waar agenten duidelijk hun boekje te buiten gaan. Live verslaggeving daarvan wordt met het voorstel van de Kamer onmogelijk, omdat de agenten eerst één voor één onherkenbaar gemaakt moeten worden. Daarnaast hebben veel burgers überhaupt de technische kennis niet om iemand in een foto of video te blurren. Voor die groep werpt het voorstel een disproportionele hindernis op om onbehoorlijk politieoptreden aan de kaak te stellen.

Daarnaast zou de politie met zo’n verbod een uitzonderingspositie krijgen die geen enkele andere beroepsgroep heeft. Ambulancebroeders en brandweermannen worden ook regelmatig tijdens hun werk gefilmd, maar kunnen zich niet op het verbod beroepen. Terwijl de rechter veelvuldig heeft geoordeeld dat juist agenten met hun publieke functie en geweldsmonopolie een grotere inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer moeten toestaan dan privé-personen. Bovendien moeten agenten júist aanspreekbaar zijn op hun optreden, zowel wanneer ze goed werk verrichten als wanneer ze hun boekje te buiten gaan. Dergelijke video’s maken de politie benaderbaar en geeft ze een menselijk gezicht, met positieve en negatieve kanten. Een politiekorps dat bestaat uit weggeblurde agenten met privacy-privileges zal de kloof tussen politie en burger alleen maar vergroten.

Wat zou er wel moeten gebeuren? Het andere onderdeel van de motie pleit ervoor om agenten te trainen hoe ze moeten omgaan met al dat gefilm. Daar liggen naar mijn mening de echte kansen. Zo heb ik zelf een aantal keer agenten mogen trainen en merkte hoeveel effect dat had. Door te benoemen wat er gebeurt, niet krampachtig te doen en de motivatie van de filmer te achterhalen, kan een agent zich beter verweren.

Daarnaast wees ik agenten op de juridische mogelijkheden die ze nu al hebben, na publicatie en via de rechter. Zo oordeelde de rechter in 2005 dat beeldmateriaal van agenten geblurd moest worden vanwege de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Een kleine steekproef wijst echter uit dat daar op dit moment geen gebruik van wordt gemaakt.

De schade door treitervloggers kan beperkt worden door het benutten van bestaande mogelijkheden en het trainen van agenten in hoe daarmee om te gaan. Het op de tocht zetten van de persvrijheid is daarvoor helemaal niet nodig.