Recensie

Stadse tafereeltjes die uiteindelijk niet zo boeien

Je kunt haast niet geloven dat A.H.J. Dautzenberg nog maar zes jaar geleden debuteerde, met de nogal eigenaardige verhalenbundel, Vogels met zwarte poten kun je niet vreten. In die zes jaar wist hij de gemoederen flink bezig te houden. Hij doneerde (naar het schijnt) zijn linkernier en wijdde er een glasheldere, interessante roman aan (Samaritaan, 2011). Hij werd protestlid van (de inmiddels verboden) pedofielenvereniging Martijn en schreef daar in 2013 een glasheldere, interessante beschouwing over. En hij zette zich met Quiet 500, tegenhanger van Quote 500, in voor arme mensen. Hiervoor werd hem onlangs de zogeheten Impactprijs toegekend. Tussendoor schreef hij ook nog het een en ander (verhalen, romans, poëzie, brieven, toneel), in die zes jaar dus, zo’n vijftien titels.

Een man uit één stuk is Dautzenberg (1967) intussen bepaald niet. Hij geeft en hij neemt. Hij neemt het op voor minderbedeelden, voor dieren, voor bejaarden, voor vluchtelingen en andere zwakkeren in de samenleving. Maar hij laat zich, als schrijver, vaak ook nogal korzelig uit over diezelfde medemens – die het zwaar voor de kiezen krijgt in zijn verhalen en romans.

Ook zijn lezers brengt hij graag in verlegenheid. In Rafelranden van de moraal (2013) maakte hij er een programmapunt van. ‘Verwarring zaaien, raadsels vergroten, ongemakkelijke vragen stellen, ik kan er geen genoeg van krijgen.’ In hetzelfde verband hekelde hij ‘de Nieuwe Braafheid’, die in de literatuur weer de kop op zou hebben gestoken.

Dit is een lange aanloop naar De dag dat de gieren buigen, zijn nieuwe boek, dat uit 34 korte episoden bestaat. Na alles wat eraan vooraf ging, vind ik deze Tilburgse stadsimpressies wat aan de fletse kant. Ze verwijzen regelmatig naar de actualiteit, dat wel. De hoofdpersoon, een blinde schrijver die Tamalone heet (vernoemd naar de held van Een zwerver verliefd van Arthur van Schendel), wordt op zeker moment bedreigd en zelfs mishandeld door een meute die protesteert tegen moslims en roept dat Nederland vol is. Aan straatrumoer dus geen gebrek.

Wat schort er dan wel aan deze stadse tafereeltjes? Is het de net iets te zalverige Tamalone die zich met zijn blindenstok door de stad voortbeweegt en overal, ongezien naar hij zelf meent, zijn oor te luisteren kan leggen?

Via hem krijgen we gespreksflarden en dialogen door. Er wordt veel gepraat in deze roman. Men leest elkaar de les, discussieert, maakt ruzie en deelt verwijten uit. En waar gaat het dan zoal over? Men ergert zich aan de buren, voert een telefoongesprek over feuten die ontgroend moeten worden, stoort zich aan een al te betweterige medeleerling van de schrijfcursus, wisselt ervaringen uit met andere rolstoelgebruikers, of is met vriendjes op jacht naar pokémons. De ene dialoog is net iets prikkelender dan de andere, maar over het algemeen is het gekibbel, gemopper en gelamenteer waarop Dautzenberg ons trakteert, niet overdreven boeiend. Het is nogal vlak en toonloos.

Gaat al het gepraat nog ergens heen? Ik denk dat de titel van het boek een aanwijzing hiervoor geeft. In de voorlaatste episode komt een man aan het woord die het allemaal niet meer weet. Geknield in een kerk richt hij zich dan maar tot God, aan wie hij vertelt dat hij een eind aan zijn leven wil maken, omdat hij eenzaam is en er al lang niets meer aan vindt. ‘Binnenkort zullen de gieren buigen’, zegt hij dan. ‘Voor mij. En dat is goed.’ De man wordt door een chagrijnige stem – van God? van de schrijver? – ter verantwoording geroepen, maar de uitkomst van de onderhandelingen is ongewis. Of misschien ook niet, want Dautzenberg laat op het verhaal drie suggestieve zwarte bladzijden volgen.

De slotsom van al het geredekavel moet wel zijn dat wij mensen, in de doorlopende voorstelling die wij het leven noemen, nog altijd maar die ene zekerheid hebben. We kunnen hoog en laag springen, we kunnen het moment proberen te vervroegen of juist uit te stellen, maar onherroepelijk komt de dag waarop wij er niet meer zullen zijn. Dan wordt alles zwart, als wij Dautzenberg mogen geloven. ‘Zwart als de dood.’