Mooi die lof, maar zilver telt niet voor de handbalvrouwen

EK handbal

De handbalsters verloren de finale van het EK net van Noorwegen. Het verschil zat hem in ervaring: Nederland komt net kijken aan de top.

Foto Jonathan Nackstrand/AFP

Nycke Groot trok haar shirt op, nam de kraag tussen haar tanden en sjokte na het laatste fluitsignaal verdoofd richting doel. Met een gerichte trap schopte de beste speelsters van het Nederlands handbalteam, de beste speelster van het EK in Zweden, tegen de paal. In haar gedrag kregen de frustratie, woede, onmacht, verbittering en deceptie na de verloren finale tegen Noorwegen een gezicht.

Groot had zich hartgrondig voorgenomen de EK-finale niet te verliezen. En toch verloor ze, opnieuw, voor de derde keer op rij van Noorwegen. Met het kleinst mogelijke verschil (30-29), dat wel. Maar wat heb je daaraan als ambitieuze speelster? Niets. Zilver telt niet voor Groot, althans, nu even niet. De wreedheid van sport bepaalde kort na de finale haar gemoedstoestand.

Groot, de middenopbouwspeelster en drager van het Nederlands team, wilde na de WK-finale van een jaar geleden in Denemarken en de verloren strijd om brons, afgelopen zomer op de Olympische Spelen in Rio de Janeiro, niet weer geroemd worden zonder hoofdprijs. Mooi al die loftuitingen uit alle windhoeken, maar ze wilde kampioen worden. De beste zijn, dat alleen telde.

Individueel was dat geen probleem, want Groot nam onmiddellijk na de finale – weliswaar met een zuur gezicht – de prijs voor de beste middenopbouwspeelster en de beste speelster van het toernooi in ontvangst. Maar voor die trofeeën was ze niet naar Zweden gekomen. Het kon haar niet schelen.

Groot is een winnaarstype die in één jaar tijd net iets te vaak een beslissend duel heeft verloren: WK, EK, olympisch brons en met haar Hongaarse club Györ Audi Keto KC ook de finale van de Champions League. Ze was het ronduit beu om finales te verliezen. Tijd voor het zoet van een titel, vond ze. En dan, in Gotenburg, weer niet. Het werd haar te veel.

Schrale troost

Voor zover er troost geboden kon worden, kunnen de handbalsters zich vasthouden aan de zichtbare progressie die onder de nieuwe bondscoach Helle Thomsen is gemaakt. De finale was daar een goed voorbeeld van. Want terwijl Nederland op het WK en op de Spelen nog met ruime cijfers door Noorwegen werd afgedroogd, was het zondagavond in Gotenburg gelijkwaardig. Maar het was net niet genoeg. Nog niet.

Bij Groots medespeelsters was de douche zeker zo koud. De dag voor de finale bulderde Estavana Polman nog dat ze „#@~&$#%^&*()&^%$#$$##” niet weer van die Noren wilde verliezen. Echt niet, voegde ze er grimmig aan toe. Maar het gebeurde echt wel.

Bij een eerlijke analyse van het EK in z’n geheel en de finale in het bijzonder moeten ook Groot en Polman tot de vaststelling komen dat Nederland inmiddels gelijkwaardig is aan de handbalmachine Noorwegen, maar er nog niet voorbij is gekomen. Het verschil zit ’m in de routine.

Nederland komt net kijken aan de handbaltop, terwijl Noorwegen daar al vijftien jaar een vaste plaats heeft. Dat verschil in ervaring beslist dan de finale. Details – zoals scoren op belangrijke momenten en niet, zoals zondag, in een tijdsbestek van tien minuten een achterstand van vijf doelpunten oplopen – bepalen het resultaat.

Er zit net iets meer gogme in de Noorse ploeg, die bovendien met Nora Mork over een ongekende doelpuntenmachine beschikt. In de finale was zij goed voor twaalf treffers. De beste schutter aan Nederlandse zijde? Danick Snelder met zes doelpunten, de helft van Morks productie.

Nederland heeft zich binnen één jaar kwalitatief in één rechte stijgende lijn naar boven gewerkt. Het fundament is gelegd door Henk Groener, die in oktober als bondscoach is opgevolgd door de Deense Thomsen. Zij heeft de ploeg ontegenzeglijk een boost gegeven, maar werd in Zweden ook geconfronteerd met de grenzen van de Nederlandse mogelijkheden.

Een nuchtere ontleding van de ploeg leert dat Nederland over cirkel- en opbouwspeelsters en een keepster van wereldniveau beschikt, maar voor de absolute top kwalitatief tekortschiet met de hoekspeelster. Vanuit die positie, zowel op links als rechts, komt te weinig dreiging, maar komen vooral te weinig doelpunten. Bij bijna alle tegenstanders op het EK was dat onderdeel beter verzorgd.

Nu worden de schouders van speelsters als Groot en Polman – maar ook die van Maura Visser, Laura van der Heijden en Lois Abbingh – te zwaar belast. Dat geldt eveneens voor keepster Tess Wester voor wie Thomsen geen gelijkwaardige stand-in heeft. Het verschil in de finale was evident. Bij Noorwegen maakt het niet uit of Kari Aalvik Grimsbo of Silje Solberg op doel staat; beiden garanderen hoge reddingspercentages.

Incubatietijd van tien jaar

Nederland zal geduld moeten hebben. De handbalvisie die technisch directeur Sjors Röttger heeft uitgezet resulteerde pas afgelopen jaar in een opmars. Maar de incubatietijd was zo’n tien jaar.

Grote prijzen win je niet zo maar, daarvoor is geduld vereist. Met Nederland, dat bij de vrouwen met onder andere de handbalacademie op Papendal een goede basis heeft gelegd, komt het wel goed. Er wordt alleen geduld gevraagd. Maar dat geduld hebben sterspeelsters als Groot en Polman niet.