Opinie

U noemt het flex, ik noem het hosselen

Deze meisjes wilden voor Unicef de deuren langs, ik wilde met plezier iets geven, waarom moesten wij nu een soort pseudo-arbeidsrelatie aangaan?

Dit is het jaargetijde waarin ik soms aan My Fair Lady moet denken. Londen, ca 1910, een winterse avond, en daar is Eliza Doolittle, dakloze dochter van een alcoholische vuilnisman, die wat probeert te verdienen door viooltjes te verkopen aan rijke operabezoekers. Ze heeft die avond een meevallertje, fantaseert waar ze het aan zal besteden, en zingt: ‘All I want is a room somewhere, far away from the cold night air, with one enormous chair, now wouldn’t that be loverly?’

Er werd aan de deur gebeld. Twee meisjes van een jaar of tien, een inzameling voor Unicef. Ik trok mijn portemonnee, maar dat was niet de bedoeling. Ik kreeg een prijslijst met klussen die zij konden doen. Hond uitlaten, bladeren harken, dat soort dingen. Deze meisjes wilden voor Unicef de deuren langs, ik wilde met plezier iets geven, waarom moesten wij nu een soort pseudo-arbeidsrelatie aangaan? Wat wordt hier getraind? Moeten zij straks op straat kunnen overleven, zoals Eliza Doolittle? Je hoort het zo’n schoolmanager zeggen: ondernemen, markt, transactie, onderhandelen. Jong geleerd, oud gedaan.

T., een buurmeisje, vierde klas voortgezet onderwijs, stuurt een mail. Zij gaan met school naar Malawi voor een ontwikkelingsproject. €2500,- per leerling, geld dat zij zelf bij elkaar moet zien te krijgen. Een meisje van 16. Of wij op haar ‘benefiet-diner’ willen komen. Arme T. Ze wil iets doen voor de kindjes in Afrika, en daarom moet zij nu een businessplan schrijven. Pitchen. Mailing doen, respons meten. Likes en shares verzamelen. Een pop-up restaurant in de markt zetten. De hongerige kindjes van Malawi hopen dat zij haar targets haalt. Zij kunnen T. waarschijnlijk nog wel wat leren over sponsoring en fondsenwerving – al noemen ze het daar vast anders. Hustling? ‘Geld verdienen met een bijbaan, los werk of een incidenteel handeltje,’ zo definieert Van Dale ‘hosselen’. Een marginaal verschijnsel, toen het in de jaren tachtig werd opgenomen, inmiddels de omschrijving van hoe een aanzienlijk volksdeel aan de kost komt. ‘Los werk’– nog even en het is een pleonasme. Hoezo ‘los’, bestaat er ook vast?

Een ‘flexibele schil’ – ook zo’n fijne term – is al lang niet meer iets voor bedrijven met een wisselende arbeidsbehoefte, ook scholen hebben steeds meer personeel in de standby, als seizoenswerkers. Je weet tenslotte maar nooit hoeveel leerlingen je volgend trimester hebt. ‘De ideale flexibele schil is 30 procent’ zeggen experts. Noem dat nog maar een ‘schil’. Als je bij de groenteboer een appel met 30 procent schil krijgt, breng je hem terug.

Wij hebben er andere, voorname woorden voor verzonnen, flexwerk, contracting, payrolling, outsourcing, nulurencontracten, maar het is /hosselen/. Het Nieuwe Hosselen. De werknemer van de toekomst is een hosselaar. En zorgzaam als wij zijn, leren wij het onze kinderen. Zichzelf in de markt te zetten, sponsors en investeerders aan te trekken, alsof zij een product zijn. Ik ken geloof ik meer twintigers mét een eigen ‘nieuwsbrief’ dan zonder.

Wij maken het jonge mensen te moeilijk. Als je op je achttiende volwassen bent, moet je ook vanaf je achttiende economisch zelfstandig kunnen zijn, lijkt mij, maar wij schepen jongeren af met een nulurencontract en een half uurloon. Het jeugdloon wordt nu gelukkig verhoogd en de leeftijdsgrens van 23 jaar teruggebracht naar 21. Well done, Lodewijk Asscher! Nu dat armzalige flexgedoe! Dat darwinistische klimaat van altijd maar zoeken naar mogelijkheden en buitenkansjes, dat /gehossel/. Wat doen wij onze kinderen aan? Hoe zijn wij ooit op het idee gekomen dat mensen geen behoefte hebben aan een kamer, ergens, uit de kou, met een stoel om in weg te kruipen?