Opinie

Media, blijf populisten gewoon populisten noemen

Opinie Journalisten moeten de aanduiding niet in de ban doen om neutrale verslaggeving na te streven. Populisme staat namelijk voor een consistente set ideeën die indruist tegen de uitgangspunten van onze liberale democratie, schrijft .

Wilders op verkiezingsavond, 9 juni 2010. Foto Robin Utrecht / ANP

Het begrip populisme zorgt voor veel verwarring. In de media wordt de term te pas en te onpas gebruikt, en meestal blijft het volstrekt onduidelijk wat er precies onder wordt verstaan. Soms lijkt populisme te verwijzen naar een autoritaire vorm van leiderschap, soms naar een specifieke ideologie, en soms naar een vorm van politiek opportunisme, demagogie of simplisme.

Robbert Wigt, docent Nederlands en gespecialiseerd in politieke argumentatie, pleitte (24/11, NRC Opinie) voor afschaffing van de aanduiding ‘populisme’ in media die neutraliteit nastreven. Ik kan goed begrijpen dat de heer Wigt door de bomen het bos niet meer ziet en inmiddels geen idee meer heeft wat de term betekent, maar zijn oplossing om het begrip populisme dan maar bij het grofvuil te zetten lijkt mij een uitermate slecht plan. Zeker nu.

Als Wigt wat dieper in de literatuur over populisme was gedoken, zou hij ontdekt hebben dat er onder wetenschappers een behoorlijke mate van overeenstemming bestaat over de definitie van de term. De meeste politicologen, sociologen en historici zien populisme als de politieke boodschap dat het goede volk wordt genegeerd, uitgebuit of zelfs gecorrumpeerd door een slechte elite. En daar moet verandering in komen; de volkswil moet weer hét centrale uitgangspunt worden in het politieke besluitvormingsproces.

Brede toepasbaarheid

Deze populistische boodschap is steeds nadrukkelijker aanwezig in het publieke debat. Denk aan de groeiende populariteit van radicaal-rechtse politici als Trump, Wilders en Le Pen. Zij benadrukken keer op keer dat de elite er een potje van maakt en niet meer naar de ‘gewone man’ luistert. Maar denk ook aan het Brexit-referendum: de Brexiteers stelden dat de elites in Londen en Brussel onder een hoedje speelden en de belangen van de gewone Britten verkwanselden.

Ook kan de populistische boodschap aangetroffen worden aan de linkerkant van het politieke spectrum. Het Spaanse Podemos combineert een radicaal-links gedachtegoed met de boodschap dat het gewone volk de macht weer in handen moet nemen ten koste van de ‘politieke klasse’.

Dat het begrip populisme toepasbaar is op ideologisch zeer uiteenlopende politieke partijen en bewegingen leidt vaak tot verwarring. Maar de brede toepasbaarheid van de term is tegelijkertijd ook zijn kracht. De term helpt ons namelijk beter te doorgronden waarom deze uiteenlopende partijen nu precies succesvol zijn. En dat alleen al is een goede reden om het begrip niet af te schaffen.

Tegen checks and balances en het compromis

Er is een nog veel belangrijkere reden om de term populisme niet bij het grofvuil te zetten. De term helpt ons namelijk ook te begrijpen hoe politici als Wilders, Trump en Le Pen over de liberale democratie denken. En dat is niet iets om vrolijk van te worden.

Hoewel populisme in essentie democratisch is en goede kanten heeft – het kanaliseert wantrouwen en het verzet tegen gevestigde elites is soms meer dan terecht – staat het op gespannen voet met een aantal fundamentele pijlers van ons liberale politieke systeem.

Het belangrijkste uitgangspunt van dat systeem is politiek en maatschappelijk pluralisme: de samenleving bestaat uit een heterogene verzameling individuen en groeperingen (met uiteenlopende achtergronden, overtuigingen en identiteiten) die gelijk behandeld dienen te worden en het recht hebben beschermd te worden door (en tegen) de staat. De populistische boodschap staat haaks op dit pluralistische uitgangspunt.

Het vertrekpunt van populisten is namelijk de ongedeelde wil van ‘het’ homogene volk: de volkswil moet zo direct mogelijk vertaald worden in politieke besluitvorming, en alle instituties, regels en procedures die pluralisme waarborgen en deze directe vertaling in de weg staan worden gezien als overbodige ballast.

Minderheidsrechten? Een blok aan het been. Die zorgen er alleen maar voor dat de wil van de meerderheid geblokkeerd wordt. Institutionele checks and balances? Die zorgen alleen maar voor vertraging in het besluitvormingsproces. Compromissen? Die leiden alleen maar tot verwatering en weinig daadkrachtige maatregelen.

Meer dan een retorisch trucje

Wat gebeurt er nu als politici met dit soort opvattingen het voor het zeggen krijgen? Dat zien we op dit moment in Oost-Europa gebeuren. De premier van Hongarije, Viktor Orbán, begon in de jaren negentig als relatief gematigd politicus, maar heeft zich in de afgelopen twintig jaar ontwikkeld tot een onverschrokken radicaal-rechtse populist. Orbán doet er alles aan om vluchtelingen uit zijn land te weren en steekt niet onder stoelen of banken dat hij de liberale democratie het liefst af zou schaffen. Zo heeft hij de mediavrijheid beknot, de bevoegdheden van het constitutionele hof beperkt, en politieke vriendjes op cruciale posities benoemd.

Polen is eenzelfde weg ingeslagen. Jaroslaw Kaczynski, de voorzitter van de Poolse regeringspartijpartij Recht en Rechtvaardigheid (PiS), is een groot bewonderaar van Orbán. Zijn partij heeft in korte tijd controversiële politici benoemd, de bevoegdheden en onafhankelijkheid van het Grondwettelijk Hof beperkt, en een omstreden mediawet ingevoerd.

De populistische boodschap is dus meer dan een retorisch trucjes om kiezers te lokken. Het is een consistente set ideeën die op gespannen voet staat met de uitgangspunten van onze liberale democratie. Recente ontwikkelingen in Oost-Europa laten zien dat, eenmaal op het pluche, populisten er ook niet voor terugschrikken om de liberale democratie daadwerkelijk schade toe te brengen.

Het populisme vormt daarom één van de grootste hedendaagse uitdagingen voor de liberale democratie. De term niet meer gebruiken lijkt mij daarom een uitermate slecht plan.