Cultuur

Interview

Interview

‘Krijg nou de pleuris, het is een vogel!’

Jules Deelder

Lang hield hij niet van knutselen. Maar toen de dichter Jules Deelder in de weer ging met zaken als balpennen, flessendopjes en (veel) gele jointbuisjes zijn er twaalf kunstwerken ontstaan. Ze staan nu in de Kunsthal te Rotterdam. „Je zit wat te klootzakken en dan wordt het wat.”

Jules Deelder komt de Kunsthal in Rotterdam binnen met een klein plastic zakje in zijn handen. Hij heeft nog wat extra dopjes voor op één van zijn kunstwerken, het Locomotrutfantje.

Ogenschijnlijk willekeurig, maar wel secuur bevestigt hij de dopjes op het kunstwerk, dat onder andere bestaat uit plastic vorkjes en veel spuiten. „Ongebruikte natuurlijk”, voegt hij er aan toe.

‘Klootzakken’

Hier is Deelder de afgelopen tijd druk mee geweest. De dichter, jazzkenner en nachtburgemeester van Rotterdam is gaan knutselen, of ‘klootzakken’, zoals hij het zelf noemt. De resultaten zijn vanaf deze zaterdag te zien in de Kunsthal.

Twaalf kunstwerken, gemaakt van materiaal dat Deelder in het dagelijks leven tegenkomt. Overblijfselen van afhaalmaaltijden, gin-tonics en andere geneugten: flessendopjes, balpennen, rietjes, lepeltjes en opmerkelijk veel gele jointbuisjes en cocktailstampertjes. „Die heb ik meestal wel gebruikt.”

Ik heb me hier de afgelopen tijd echt in verloren hoor

Het begon allemaal zo’n anderhalf jaar geleden. Deelders dochter Ari maakte een documentaire over Willem Koopman, wielrentalent in de jaren zestig, later een bekende zwerver in Rotterdam. Hij zei vaak dat Rotterdam een ruimteschip was dat elk moment uit het heelal geschoten kon worden.

In de Rotterdamse kroegen maakte hij ruimteschepen, met de materialen die maar voorhanden waren. „Ari vroeg me of ik een paar dingen kon maken zoals Willem dat deed. Dus dat deed ik, en ik kreeg er nog plezier in ook.”

Plakken en branden

Deelder, hoedje op zijn hoofd en zijn karakteristieke vlinderbril op, loopt rond zijn kunstwerken. Met enige trots: „Het ziet er wel mooi uit zo hè? Ja, ik heb me hier de afgelopen tijd echt in verloren hoor. Op gegeven moment ging ik zelfs thuis tegen ze praten.”

Terwijl hij eigenlijk nooit echt een knutselaar was. „Nee joh, ik heb twee linkerhanden. Ik krijg nog geen spijker in een muur. Ik heb m’n klauwen ook regelmatig verbrand tijdens het maken.” En nu dan toch een expositie in hetzelfde gebouw waar ook kunst van Damien Hirst en Ai Weiwei stond.

Ik heb twee linkerhanden. Ik krijg nog geen spijker in een muur.

Het materiaal verzamelt hij in het dagelijks leven. „Zo was ik bij de snackbar waar ze een hele mooie kleur vorkjes hadden. Of ik er wat meer mocht, vroeg ik. Dat meisje gaf zo een patatzak vol mee.”

Dan gaat hij thuis aan het werk. Meestal begint het met een fundament waar het kunstwerk op kan staan. En dan gaat Deelder plakken en branden. Veel plastic heeft hij met een aansteker aan elkaar gebrand. „Het stinkt ontzettend, al heb je af en toe ook wel van dat lekker ruikende plastic. Dan neem je nog een extra hijsje.”

Foto’s van Merlin Daleman

Trash art

Deelder heeft geen idee wat hij gaat maken als hij begint. „Je zit wat te klootzakken en dan wordt het wat. Dan kijk je naar het plastic en opeens zie je het, krijg nou de pleuris, het is een vogel.”

Dat is ook het mooie, vindt Deelder, en hij legt daarbij een link met zijn dichtkunst. „Afzonderlijk waren deze spullen gewoon afval, maar bij elkaar wordt het toch wat. Zo is het ook met dichten, afzonderlijk is een zin een zin, maar in het geheel wordt het een gedicht.”

Deelders kunstwerken zijn eigenlijk trash art, verwant aan de ready mades van de Franse kunstenaar Marcel Duchamp, praktische voorwerpen die in een andere setting kunst worden. Duchamp presenteerde in 1917 een beeldhouwwerk van een urinoir. Deelder maakte met praktische voorwerpen fantasierijke nieuwe dingen. Zijn kunst is absurdistisch en als kijker moet je er haast wel vrolijk van worden.

Spartapiet

Zo is er de Spartapiet, een vogel in het rood-wit, de clubkleuren van Deelders voetbalclub Sparta. De snavel (of is het een poot?) is een plectrum met het Spartalogo erop. Er is een soort blauw stekelvarken, met hoorns en een zonnebril. Een groen met oranje sprinkhaan, met rietjes als voelsprieten. „De meeste van mijn kunstwerken lijken op een dier of een insect inderdaad. Al zien sommigen er ook heel iets anders in.”

Af en toe heb je van dat lekker ruikende plastic. Dan neem je nog een extra hijsje.

Deelder loopt naar het zwarte gevaarte in de hoek. „Ik vind dit zelf een raaf, maar iemand anders vond het sprekend een Harley. Ach, iedereen kan er iets anders in zien.” Dat blijkt eens te meer bij een ander kunstwerk van Deelder, dat volgens hem misschien achterstevoren staat opgesteld. „Ik dacht dus dat dat daar de kop was, maar hier vinden ze blijkbaar dit de kop. Maar dat kan ook wel.”

Voorlopig is Deelder nog niet klaar met zijn nieuwe passie. „Het is grappig hoe ik me, bijna als een kind, hierin kan verliezen.” Is het ook iets waar hij geld mee wil gaan verdienen? „Ach, als iemand geïnteresseerd is moet hij maar contact opnemen. Al heb ik echt geen idee wat ik er voor moet vragen.”