Twintigers ontdekken de hippe kerk

Hoe ze moeten bidden weten ze nog niet, maar de saamhorigheid spreekt aan. Twintigers ontdekken de kerk. „Je kunt pilletjes nemen of je kunt naar de kerk.”

Illustratie Arjen Born

Aline van de Watering (29) leerde een jaar geleden bidden van de dominee. Ze was toen al een tijdje afgestudeerd in de sociologie, had nog geen baan, wel „zeeën van tijd” en was op een zondag gewoon maar in de kerk gaan zitten. De Jeruzalemkerk in Amsterdam, waarop ze uitkeek als ze in het café op de hoek zat. Hervormd, niets bijzonders. Een erg mooi gebouw, dat wel.

Waar de preek over ging weet ze niet meer, maar het sprak haar aan. Hoe ze moest bidden – ogen open of dicht, hoofd omhoog of omlaag? – wist ze toen nog niet, maar de rest wees zich vanzelf. Op een nieuwsbrief stond een bijbelklasje voor atheïsten aangekondigd. „M’n moeder deed een cursus kunstgeschiedenis, en ik dacht: nou, ga ik dit doen.”

De openheid en het respecteren van wat je niet kent, dát is wat haar zo raakte tijdens die eerste dienst, zegt ze. Wildvreemden die haar een fijne zondag wensten, zomaar een praatje maakten. Het was totaal niet wat ze had verwacht van de kerk. „Veel mensen om me heen pretenderen zo ruimdenkend te zijn, lekker links-elitair. Maar als ik vertel dat ik naar de kerk ga, wordt het christendom direct met de grond gelijk gemaakt.”

Voor Liesbeth Akkerman (24) voelde het als uit de kast komen, toen ze aan vrienden en familie vertelde dat ze sinds kort naar de kerk gaat. Een Pinksterkerk in Amsterdam-Zuidoost, waar ze belandde via een studiegenoot, van haar master Public Health.

Het onbegrip van mensen om haar heen snapte ze wel, zelf had ze ook altijd gedacht dat christenen suf en saai waren. „Stond ik voor de vierde keer in een week bier te drinken, ik dacht: dat kan toch niet als christen?” Haar beste vriendin was bang dat ze niet meer samen over het leven zouden kunnen filosoferen, dat zij God overal bij zou slepen. Dat bleek wel los te lopen, ze bleef gewoon zichzelf. En met Kerst gaat haar halve voetbalteam mee naar de dienst.

De kerk loopt leeg, al jaren. Nog maar veertien procent van de Nederlanders gelooft in een christelijke God, zo bleek uit het onderzoek ‘God in Nederland 2016’. En de kerk vergrijst: driekwart van de aanhang van de Protestantse Kerk en de Katholieke Kerk is boven de veertig jaar, en daar weer de helft van boven de zestig.

Veel mensen om me heen pretenderen zo ruimdenkend te zijn, lekker links-elitair. Maar als ik vertel dat ik naar de kerk ga, wordt het christendom direct met de grond gelijk gemaakt.

En toch: met Kerst gaan zo’n drie miljoen Nederlanders naar de kerk. Christelijke pelgrimstochten zoals die naar Santiago de Compostella trekken veel jonge mensen. En als Jan Terlouw predikt dat religie samen met het brievenbustouwtje en het badwater is weggegooid, wordt hij op sociale media toegejuicht. Hij ziet in de samenlevingen de tekenen van een herleving van het geloof, zei hij onlangs in een interview in NRC. „Als de situatie maar nijpend genoeg wordt…”

Ook wie nauwkeuriger naar de cijfers kijkt, trekt een andere conclusie dan dat de eindtijd voor het christendom is aangebroken. Vrijzinnige en pinksterkerken zijn „vitaal”, hun leden voor de helft jonger dan veertig. Ook uit ander onderzoek blijkt dat in grote steden weer steeds meer jonge mensen naar de kerk gaan.

„Er is absoluut iets aan het veranderen”, zegt Miranda Klaver. Zij is religie-antropoloog aan de Vrije Universiteit en doet onderzoek naar wat zij de kosmopolitisering van het christendom noemt: de opkomst van kerken in grote steden. En wat blijkt: met de kerken die nieuw zijn of hun best doen een jong publiek aan te spreken, gaat het hartstikke goed.

Ze ziet het ook onder haar studenten: jonge mensen die zonder het geloof van hun opa en oma zijn opgegroeid denken nu, wat jammer dat ik daar niks van weet. „Het is een generatie die zich niet hoeft af te zetten tegen een dogmatisch geloof met verstikkende regels. Dat schept ruimte voor een nieuw soort onbevangenheid.”

Stond ik voor de vierde keer in een week bier te drinken, ik dacht: dat kan toch niet als christen?

„De secularisering is een zegen”, zegt Rikko Voorberg. Hij stichtte in 2013 in Amsterdam de PopUpKerk, die inmiddels navolging heeft in Arnhem, Den Haag en Rotterdam. Elke zondag komt hij samen met een groep van rond de twintig agnosten, onkerkelijken, atheïsten en zoekers. Ze brunchen, mediteren en praten over hoe ze een bepaalde Bijbeltekst zouden herschrijven voor het hier en nu. Nooit in een kerk overigens. „Dat zou preken voor eigen parochie zijn.”

Ouders die zich afzetten

Rikko Voorberg is de zoon van een gereformeerd-vrijgemaakte dominee uit Emmeloord. Na zijn studie theologie in Kampen wilde hij uitzoeken of ideeën en waarden uit het christendom ook relevant zijn voor mensen die niet naar de kerk gaan. Zzp’ende creatieven van in de twintig en de dertig zijn de mensen met wie hij dat doet. „Mensen die zijn opgevoed door ouders en docenten die zich nog keihard afzetten tegen geloof en god, terwijl zij denken: wat doe je toch moeilijk, dit is toch interessant?”

Zijn PopUpKerk biedt ruimte om stil te staan bij grotere vragen, denkt hij. Een plek waar ze even met iets anders bezig zijn dan met afspraken en werk.

Hadden we daar niet al yoga voor?

Nou nee, daar hebben we een karige, individualistische variant van geïmporteerd, vindt hij. „Na hun yoga-uurtje fietsen mensen alsnog alleen naar huis. Mensen zijn op zoek naar een community waar ze zich thuis voelen, en een verhaal dat het verlangen naar een betere wereld stut. Dat engagement zit niet zo in Oosterse spiritualiteit.”

Religie-antropoloog Miranda Klaver denkt dat de nieuwe interesse voor het christendom ook te maken heeft met de hang naar nostalgie, die je op wel meer plekken in de samenleving ziet. In wat politici zeggen over de Nederlandse waarden en identiteit bijvoorbeeld. Of in de op vintage gebrande hipstercultuur. De hype rond lokaal geteelde omagroenten.

Die nostalgie is een reactie op de globalisering en op de toestroom van nieuwkomers, denkt zij. Dat roept vragen op over wie we zijn, en wat we hier hebben opgebouwd – en dat kun je niet los zien van de christelijke traditie. „De kerk vormt dan een ankerpunt in het mobiele en onzekere bestaan van jonge mensen.” Maar: zij willen wel een religie die ze zélf vorm kunnen geven, merkt ze. „Niemand laat zich meer regels opleggen door het geloof.”

En juist die goedlopende, vaak internationale Pinksterkerken in de grote steden spelen daar zo handig op in. „Welcome home”, is de slogan van Hillsong, een uit Australië overgewaaide megakerk met diensten in Amsterdamse en Rotterdamse nachtclubs. „Connect en groei”, is die van de C3 Church, ook een internationale kerk met locaties in Almere, Den Haag, Arnhem en Amsterdam. Het zijn kerken waar jonge mensen met gescheurde spijkerbroeken op zondag met een worship-band Jezus eren en waar de preken op motivational speeches lijken. Foto’s van vrolijke dooprituelen in een opblaaszwembadje plaatsen ze op Instagram

Liesbeth Akkerman vindt dat wel fijn, zo’n hippe kerk. Zij wil geen kerk met een orgel, maar een met events, een band, en een preek die over háár leven gaat, waar ze op maandag echt iets aan heeft. En vooral ook: geen regeltjes. Niet verplicht bidden voor het eten, en ook geen afkeer van homoseksualiteit.

„Kerk moet ‘fun’ zijn”, zegt Miranda Klaver. „En jou ondersteunen in je ambities.” De boodschap is helemaal op het individu toegesneden en er is een enorme nadruk op de positieve kant van het leven. „Bidden voor een geslaagd sollicitatiegesprek, dat idee.” Je kunt er cynisch over doen, zegt ze. Maar als ze mensen spreekt die in die nieuwe kerken komen, merkt ze dat het echt iets doet in hun leven. „Er zijn mensen die daar pilletjes voor nemen. Maar je kunt ook naar de kerk.”