Column

Hou op met EU half werk te laten doen

Toen medewerkers van de EU-regeringsleiders deze week een voorbespreking hielden voor de top van donderdag, kreeg Nederland er nogal van langs wegens het Associatieakkoord met Oekraïne. Na het Nederlandse referendum in april, waarbij 19 procent van alle stemgerechtigden dat akkoord verwierp (32 procent kwam opdagen; van hen zei 61 procent nee), wilde premier Rutte het akkoord aanpassen. Ook al hadden alle Europese regeringen en parlementen het al goedgekeurd. Hoe is mogelijk dat een binnenlands probleem, grotendeels van Rutte’s eigen makelij, nu een probleem werd voor de 27 anderen?

Hun ergernis is begrijpelijk. Het komt steeds vaker voor dat besluiten die Europese regeringen nemen volgens regels die zij zelf hebben opgesteld, achteraf op losse schroeven worden gezet doordat één land problemen maakt. Zie CETA, het EU-handelsakkoord met Canada, dat moest worden opengebroken omdat een paar Waalse parlementariërs alsnog bang werden.

Kun je nog iets beslissen met zijn 28’en als die 28 zelf nauwelijks nog bereid zijn om hun plannen en besluiten in eigen land uit te leggen, en bij elk tegenwindje zeggen: „Het volk heeft gelijk”? Dit is wat nu gebeurt. Zo wordt de EU van binnenuit uitgehold.

Voor het verdrag van Maastricht (1992) had de EU weinig volmachten van de lidstaten. Alleen voor handel, interne markt (mededinging) en landbouw. De rest bleven de lidstaten zelf doen. Dat veranderde na ‘Maastricht’. Klimaatverandering, migratie, terrorisme, digitalisering; lidstaten konden zulke internationale en complexe uitdagingen alleen samen te lijf. Dus vroegen ze de EU om het te doen.

Ze zetten ook één munt en de Schengenzone op, en een voorzichtige buitenlandpolitiek onder EU-beheer. Met tegenzin. Want ze wilden zo min mogelijk macht overdragen en eisten nationale veto’s en gaven de EU niet de budgetten en mankracht om goed werk te leveren.

Zo werden lidstaten en EU co-verantwoordelijk voor de euro, Schengen, buitenlandbeleid en grensbewaking. Anders dan bij handel of landbouw, waar de verantwoordelijkheden helder afgebakend waren, was dat deze nieuwe terreinen nooit duidelijk. De structuren waren zwak. Dat is sinds 2008 wel gebleken. De euro had geen reddingsfonds. Europese banken hadden geen toezicht. Europese grensbewaking bestond wegens geldgebrek uit enige tientallen mensen in een kantoor in Warschau.

Lidstaten en de Commissie gaven elkaar de schuld. Ze hadden allebei een beetje gelijk. Ze lapten de boel op, maar maakten de structuren nóg ingewikkelder. Het reddingsfonds leunt op nationale garanties. De bankenunie is half af omdat sommige landen niet verder willen. Alles hangt af van de wil van de lidstaten om er iets van te maken.

Het slechte nieuws is dat de drie terreinen waarop de EU wél beslissingsbevoegdheid heeft, en waarop ze wél solide beleid heeft gemaakt, ook door deze langzame rot worden aangetast. Handel wordt gerenationaliseerd, zoals de farce rond CETA en het Oekraïneverdrag tonen. Grote landen bekritiseren openlijk beslissingen over mededinging, zoals over de tax rulings die eigenlijk staatssteun zijn. Hoeveel er van het Europese landbouwbeleid overblijft, staat te bezien. Door het vertrek van de Britten – nettobetalers – ontstaat een financieel gat, dat sommigen met landbouwgeld willen dichten.

De EU kan alleen functioneren met heldere en ondubbelzinnige structuren. Eigenlijk zou zij van nu af aan moeten zeggen: wij doen alleen nog maar taken als lidstaten ons de kans geven ze goed te doen. Beter een beperkt maar sterk Europa dan een groot Europa dat in zijn eigen modder wegzakt.