Een kerstboodschap van de koolmees

Drie legsels hadden de houtduiven dit jaar. Twee keer twee eieren en de derde keer zelfs drie. Toen de laatste pluizebollen waren uitgevlogen kon het zwaar vervuilde nest uit het openstaande raam worden weggehaald.

Twee houtduiven met zeven jongen. Volgend jaar misschien weer. En het jaar daarop. Misschien heeft één zo’n paar wel 30 nakomelingen. De koolmezen die een paar jaar eerder het handmatig in elkaar gezette nestkastje-met-correct-geplaatste-vliegopening (diameter 32 mm) hadden betrokken deden het destijds in één ruk: zeven jongen op de wereld. Zo’n stel komt misschien ook wel op 30 uit. Trek er twee vanaf en vermenigvuldig de uitkomst met het Hollandse koolmezenbestand (zeg: 200.000 broedparen) en stel vast: dit kan zo niet lang doorgaan.

Ziehier het kleine raadsel dat elke vogelvriend in directe omgeving kan tegenkomen. Vandaag doet het dienst als opstapje naar zwaarwichtiger zaken: de menselijke verantwoordelijkheid, de eindigheid van de aarde en de Parijse afspraak om de wereld niet warmer te laten worden dan goed voor haar is. Heftig!

Maar eerst de koolmezenkwestie. Van de populatiedynamica van de koolmees, Parus major, is veel bekend juist omdat de mezen zo graag in nestkastjes broeden. Ze zijn daar makkelijk te ringen. Een leesbaar review-artikel uit de Russian Journal of Ecology (V.A. Payevsky, 2006) dat overwegend Nederlands en Belgisch mezenonderzoek citeert lost het raadsel op. Gemiddeld genomen worden koolmezen nog geen twee jaar oud, de jaarlijkse mortaliteit ligt op zo’n 50 procent. Van de uitgevlogen jongen haalt maar 15 procent het volgende broedseizoen, dat komt ruwweg neer op één jong per jaar. Voilà: twee jongen vervangen in twee jaar twee ouders. Zo blijft de populatie stabiel. Waar alle dode vogeltjes blijven weet niemand. Het gros sterft al voor de herfst begint, je mag aannemen dat de nauwelijks verbeende botjes snel verteren.

De fertiliteit van het mezenvrouwtje, het totaal aantal nakomelingen dat zij in haar leven op de wereld zet, mag dan hoog zijn, als je alleen de nakomelingen telt die zelf weer nestelen dan blijft-ie bij 2 hangen (met tijdelijke en plaatselijke variatie). Bij mensen in ontwikkelde landen zit er tussen de ene en de andere maat nauwelijks verschil omdat er zo weinig sterfte optreedt vóór het eind van de vruchtbare leeftijd, zo rond het 45ste levensjaar. Met een fertiliteit van 2,1 is stabiliteit van de populatie gewaarborgd. Daar beneden zou de populatie-omvang op den duur (er zijn naijl-effecten) gaan dalen, afgezien van de netto-invloed van immigratie en emigratie.

Voor de wereld als geheel geldt een fertiliteit van 2,5, voor Europa is-ie 1,5. Landen als Portugal en Spanje blijven onder de 1,3, maar in veel Afrikaanse landen bezuiden de Sahara is hij hoger dan 4, soms (Congo, Angola, Tsjaad) hoger dan 6.

De Nederlandse fertiliteit lag in 2014 op 1,7 noteert de Wereldbank. Het fascinerende verslag Gezinnen in beweging van het Centraal Bureau voor de Statistiek (Arie de Graaf, 2011) legt uit hoe dit getal ongeveer bereikt wordt: 20 procent van de vrouwen blijft kinderloos, 15 procent neemt één kind, 45 procent neemt er twee en 20 procent neemt er drie of meer. (Reken het na. Hieruit volgt een fertiliteit van 1,65 als het bij drie kinderen blijft. Het getal komt op 1,70 als we aannemen dat 15 procent van de vrouwen drie kinderen neemt en 5 procent vier.)

De StatLine van het CBS laat zien dat er in 2015 in Nederland - afgerond - 78.000 ‘eerste kinderen’ werden geboren, 63.000 tweede-kinderen, 22.000 derde-kinderen en ruim 8.000 vierde-kinderen. Alles bijeen ruim 170.000 kinderen. (Ga na dat dit in redelijke overeenstemming is met de net genoemde indeling. Als er 78.000 eerste kinderen geboren worden komen daar op korte termijn 65/80 maal 78.000 = 63.000 tweede kinderen bij. )

Tegenover de 35 procent vrouwen die de gemiddelde fertiliteit onder de 2 trekken staan 20 procent vrouwen die hem er flink overheen dreigen te duwen. Zonder hun bedenkelijke inspanning was de fertiliteit moeiteloos naar 1,45 gebracht.

Wie in deze tijd van kerstbezinning niets beters te doen heeft zou hier eens over na kunnen denken. De ouders die meer dan twee kinderen op de wereld zetten produceren goedbeschouwd virulente vervuilingseenheden wier invloed op milieu en klimaat nooit zal worden gecompenseerd door het wegvallen van die ouders. En het zijn heel zware vervuilingseenheden die al die vriendelijke, welwillende milieu-inspanning van de ouders volledig teniet kunnen doen. Bedenk hoeveel milieubelasting persoonsgebonden is: verwarming, electriciteitsverbruik, vliegreizen, vleesconsumptie. Als een moeder-van-drie ons vermaant om niet te lang te douchen of anderszins het milieu onnodig te belasten dan denken wij in de eerste plaats aan haar derde kind en hoe dat de uitvoering van het Parijse akkoord in de weg stond.

Dat is dan weer een ander en groter raadsel: dat nooit, helemaal nooit gesproken wordt over geboorteperking als wapen tegen tegen milieuvervuiling en klimaatverandering. Het IPCC-rapport met tips en tipjes voor het intomen van de broeikasuitstoot telt 1250 pagina’s. Geen woord over geboortebeperking. Het recht op reproductie is onaantastbaar.