Recensie

Wie de katoenindustrie domineert, beheerst de wereld

Europa werd een wereldmacht dankzij katoen, en verviel tot ‘oude man’ op het moment dat het de machtspositie binnen de katoenindustrie verloor. Pijnlijk genoeg is de industrie gebouwd op uitbuiting en geweld, en dat zal voorlopig niet veranderen.

Foto Found Image Holdings/Corbis/Getty Images

Het is 25 oktober 2016 wanneer de BBC beelden toont van een vijftienjarige Syrische vluchteling die voor één euro per dag twaalf uur lang in een Turkse kledingfabriek werkt. De fabriek levert aan grote Britse modeketens als ASOS, Zara en Marks & Spencer. De beelden die undercover zijn gemaakt, schokken de wereld, maar textiel kan niet zonder kinderarbeid. Dat blijkt uit het boek van Sven Beckert, hoogleraar geschiedenis aan Harvard University, die het fascinerende Katoen. De opkomst van de moderne wereldeconomie schreef. Als iets duidelijk wordt uit zijn boek is het dat hoe slechter de werkomstandigheden zijn, hoe groter de kans wordt op succes op de katoenmarkt.

Typerend is het voorbeeld van Ellen Hootton dat hij aanhaalt. In juni 1833 verscheen dit tienjarige meisje voor His Majesty’s Factory Inquiry Commission. Activisten uit Manchester wilden kinderarbeid aan de kaak stellen en hadden haar eruit gepikt als voorbeeld van een kindslaaf die niet ‘letterlijk geketend was, maar wel gedwongen werd om in ketenen te werken’. De commissie wilde aantonen dat het meisje loog. Ze had namelijk beweerd dat ze verschillende malen per dag werd geslagen, terwijl dat onjuist was: ze kreeg slechts een enkele keer per dag slaag. Dat gebeurde bovendien op verzoek van haar moeder, omdat die het loon hard nodig had en hoopte dat het ‘ongehoorzame kind’ zo leerde luisteren. Een opvoedcursus dus voor een kind dat dagelijks van half zes ’s ochtends tot acht uur ’s avonds in de fabriek werkte. Op dagen dat ze te laat kwam, kreeg ze een gewicht van acht kilo om haar nek waar ze de hele dag mee moest rondlopen.

Wereldmacht

Hoezeer de commissie ook haar best deed om aan te tonen dat er weinig aan de hand was, ze kreeg ongelijk. Fabrieken moes- ten beter met kinderen omgaan. Ellen Hootton keerde nog wel terug naar de ‘satanische fabriek’, zoals William Blake ooit dichtte over de gebouwen waar arbeiders machines werden. De strijd voor betere werkomstandigheden was het begin van het einde van Groot-Brittannië als belangrijkste katoenimperium, en daarmee als grootste speler op het wereldtoneel.

Beckert toont hoe Europa een wereldmacht werd dankzij katoen, en verviel tot ‘oude man’ op het moment dat het de machtspositie binnen de katoenindustrie verloor. Katoen, ook wel het witte goud genoemd, staat namelijk aan de basis van de globalisering: de gang van het product illustreert de ontwikkeling van het kapitalisme. Anders dan bij tabak en suiker, zorgde katoen voor een wereldwijd productieproces dat in omvang ongekend was en alleen kon slagen dankzij het ‘oorlogskapitalisme’. Beckert gebruikt die term om aan te geven dat door oorlogvoering, landonteigening en kolonisatie Europa de grootste katoenindustrie opbouwde en zo de wereldmacht werd. ‘De golf van onteigening van arbeidskrachten en land [is] een bewijs van de weinig liberale oorsprong van het kapitalisme’, merkt hij fijntjes op. Wat volgt is een verhaal dat begint met de eerste katoenplanten bij de Inca’s, maar ook in Egypte, China en India, waar katoen zo fijn geweven werd dat geen land die kwaliteit kon evenaren.

Europa maakte voor het eerst kennis met katoen toen moslims het product in de tiende eeuw in Zuid-Europa introduceerden. Venetië en Zuid-Duitsland verbouwden korte tijd katoen, maar verloren die industrie, net als uiteindelijk alle landen ter wereld, aan de Britten. Zij waren namelijk als geen ander land in staat geweest een wrang web te weven. Katoen werd in de VS opgehaald, in India geweven tot mooie stoffen en die stoffen gebruikte men om slaven te kopen in Afrika. Die slaven werden dan weer vervoerd naar de Verenigde Staten om katoen te plukken, en zo was de cirkel rond.

Opvallend was dat Europa lange tijd achterliep wat de technische ontwikkeling en het dessin betrof, maar zich letterlijk een positie binnen de katoenwereld knokte. ‘Slavernij was voor het nieuwe katoen-imperium even essentieel als het juiste klimaat en goede grond.’

Een sterk staaltje is bijvoorbeeld hoe er met India werd omgegaan. In Europa was men dol op de Indiase stoffen, maar de koop ervan ging ten koste van de eigen industrie en arbeidskrachten. Daarom hieven de Britten in de zeventiende eeuw een hoge importheffing op Indiaas katoen. In Frankrijk kwam zelfs de doodstraf te staan op de koop van buitenlands katoen. Alleen de Indiase stoffen die gebruikt werden om slaven te kopen, mochten opgehaald worden, omdat anders de slavenhandel gevaar liep. Slavenhandelaren hadden weinig op met de te ruw geweven katoen uit Europa.

De Britten hadden het uiteindelijk zo voor elkaar dat tweederde van de spillen voor ruw katoen in Groot-Brittannië stonden. In India stortte de markt in en kocht men zelfs Brits linnen, soms met dessins die de Britten ooit van Indiase producenten hadden gekopieerd – een schaamteloos staaltje bedrijfsspionage, vertelt Beckert.

Protectionisme

Behalve geweld was er nog een ander belangrijk element: staatsbemoeienis. Protectionisme heeft binnen de katoenindustrie altijd uitstekend gewerkt, blijkt uit de voorbeelden die Beckert heeft. Trump zou zich dat ongetwijfeld ter harte hebben genomen wanneer de zuidelijke staten in de VS niet op de Republikein hadden gestemd. Had hij ze in het zuiden moeten overtuigen, dan zou tijdens zijn campagne het accent zijn gelegd op de cotton belt in plaats van op de democratische rust belt, en had Trump India als boeman aangewezen in plaats van China. Want de geschiedenis leert dat je met protectionisme een andere industrie kapot kan maken.

Bij het kopen van Indiaas katoen kon je in Frankrijk de doodstraf kon krijgen

De Britten deden dat met de Indiase katoenindustrie; Napoleon deed een goede poging toen hij het continentale stelsel invoerde en de Britse handel geboycot werd. In 1813 lagen de Britten in techniek nog voor op de rest van Europa, maar na 1813, toen het verbod op Brits katoen op Europees grondgebied werd opgeheven, waren de markten gelijkwaardig geworden.

‘Protectionisme, eens gezien als de kwalijke kant van oorlog, wordt een blijvend kenmerk van opkomende industrielanden. Daarmee traden ze in de voetsporen van de Britten, die de thuismarkt immers net zo agressief tegen de Indiase concurrentie hadden beschermd’, schrijft Beckert. Ook Nederland deed wat dit betreft een duit in het zakje: in 1824 stelde Willem I de ‘Lijnwadenverordening’ in om Britse fabrikanten op Java te weren. Daar kwam 68 procent van het verkochte katoen uit Nederland. ‘De Twentse katoenindustrie werd feitelijk volledig afhankelijk van Javaanse afzet.’

Naast oorlogskapitalisme en protectionisme was de industriële revolutie natuurlijk belangrijk om de wereld naar je hand te zetten, en daarmee de wereldorde. Toen er in Europa steeds meer weefmachines kwamen waardoor de productie verhoogd werd, werd Europa steeds machtiger. In China en India bijvoorbeeld ging men niet echt over tot mechanisatie, terwijl de Britten dit wel op grote schaal deden met de verwerking van katoen uit de VS. Vanaf 1850 komt zo’n tachtig procent van de katoen uit dat land. De omstandigheden waren daar namelijk ideaal: er was genoeg ruimte, er was genoeg arbeidskracht en er was kapitaal. Dankzij de slavenhandel kon de stap gezet worden van oorlogskapitalisme naar ‘industrieel kapitalisme’, zoals Beckert het noemt. De staat bemoeide zich er steeds meer mee, bouwde een infrastructuur en investeerde in nieuwe uitvindingen om de productie op te voeren.

Het waren echter niet zozeer de machines die de wereld radicaal veranderden, maar de ‘maatschappelijke en politieke instituties waarin die machines waren ingebed’. Fabrikanten in Engeland merkten dat slavernij in de fabrieken geen zin had: slaven waren slecht gemotiveerde arbeiders en duur in onderhoud. Om die arbeiders de fabrieken in te krijgen, bemoeide de staat zich er intensief mee. De staat investeerde en bevorderde dat ‘paupers (landlopers en kinderen)’ de weefhallen in gejaagd werden, zorgde voor handelsblokkades en wist te bereiken dat Britse kooplieden de mondiale netwerken domineerden.

In landen waar staatsbemoeienis uitbleef, was de katoenproductie geen lang leven beschoren, aldus Beckert. Hij haalt Egypte en Brazilië aan als voorbeelden waar weliswaar korte tijd een succesvolle katoenindustrie bestond, maar die door het uitblijven van staatsinvesteringen en gebrek aan afzetgebieden na korte tijd mislukte. Het was diezelfde staatsbemoeienis die er voor zorgde dat met name na de Eerste Wereldoorlog de groei weer afnam: er moest meer belasting worden afgedragen en vooral de eis om betere werkomstandigheden en lonen werd vaker ingewilligd, waardoor de katoenproductie daalde. Terwijl in Azië de katoenindustrie weer is gegroeid is Engeland nu een eenzaam Brexit-eiland zonder katoenindustrie.

Uitbuiting en toe-eigening tonen de weinig liberale oorsprong van het kapitalisme

Japan, India en later ook China werden in de twintigste eeuw steeds meer de zogeheten spil, mede doordat de staat elke poging tot verbetering van de werkomstandigheden daar wist tegen te houden. Ook andere bemoeienis hielp: in China nam de groei flink toe toen het belang van een eigen katoenindustrie werd opgenomen in bijvoorbeeld de ‘Grote Sprong Voorwaarts’ en andere vijfjarenplannen.

De landen waar nog wel kinderen ingezet kunnen worden om de kosten laag te houden en de productie hoog, maken nu de dienst uit. China en India – de twee landen waar duizenden jaren geleden de mooiste producten geweven werden – bepalen nu de katoenindustrie, en langzaam maar zeker ook steeds meer de wereldeconomie.

Beckert plaatst de verlegging van de wereldorde in 1963. toen in het Britse Liverpool het Cotton Exchange Building ontmanteld werd. Engeland heeft dan nog maar 2,8 procent van de mondiale katoenexport, terwijl China nu met het gereguleerd kapitalisme de manieren van de Verenigde Staten heeft overgenomen in de dagen dat die een economische grootmacht werd.

Dat de rol van Europa is uitgespeeld, wordt misschien het best geïllustreerd door de Europese subsidie die gegeven wordt voor katoenoogst in Spanje en Griekenland – met subsidies van 160 tot 189 procent van de wereldprijs voor katoen. Deze gesubsidieerde katoen, net als in de VS, wordt ‘op de wereldmarkt gedumpt, wat de prijzen drukt van de veel concurrerende katoentelers in Afrika en elders.’

Rana Plaza

De Ellen Hoottons zijn de wereld niet uit: katoen heeft altijd de slechtste kant van het kapitalisme vertegenwoordigd, en dat zal ook zo blijven. Dat begon met de slavernij, gevolgd door de uitwassen van industrialisatie en kinderarbeid. En nu worden de arbeiders in lage-lonenlanden uitgebuit. Opvallend genoeg is de ontwikkeling die Beckert schetst, namelijk dat China concurrentie ondervindt van de landen met nog lagere lonen, inmiddels bewaarheid geworden. India, dat wat de katoenproductie betreft ooit van de kaart werd geveegd door de Britten, is opnieuw de grootste producent, en Bangladesh groeit enorm.

De uitwassen houden we daarmee in stand, ook al betekent dit dat er soms een fabriek instort, zoals in 2013 bij Rana Plaza in Bangladesh, met meer dan duizend doden als gevolg. Beckert ziet dat ook, en toont aan dat het een logisch gevolg is van de uitbuiting waar het katoenimperium ooit op is gebouwd door de Europeanen.

De katoenindustrie groeit ondertussen nog steeds en de verwachting is dat in 2050 de productie verviervoudigd zal zijn. Het goedkoop produceren zal daarbij het belangrijkste instrument van opkomende economieën blijven, mede met dank aan de Primark of Zara. Of zoals Beckert zijn knappe, weinig optimistische geschiedenis afsluit: ‘Gezien de voortdurende machtsconfrontaties in het hart van het katoenverhaal lijkt een rechtvaardige wereld een ijdele droom.’